Socialezekerheidsrecht
Beëindiging ZW-uitkering omdat appellant geschikt wordt geacht voor zijn eigen maatgevende arbeid…
Centrale Raad van Beroep, 7 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1333 · Centrale Raad van Beroep · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1333
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 9 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/1881 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1333
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beëindiging ZW-uitkering omdat appellant geschikt wordt geacht voor zijn eigen maatgevende arbeid. Beoordeling EZWb. Zorgvuldig medisch onderzoek en juiste medische beoordeling.
Uitspraak
25/1881 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2025, 24/9513 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 12 maart 2024 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat om zijn eigen werk te verrichten zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van 1 september 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 september 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Libari.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als controleur corona app voor 40 uur per week. Na einde dienstverband heeft appellant zich op 13 augustus 2022 ziekgemeld. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft geconcludeerd dat appellant weliswaar beperkingen heeft in het functioneren, maar dat de belasting in het werk als controleur corona app zijn belastbaarheid niet overschrijdt. Het Uwv heeft bij besluit van 5 maart 2024 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 12 maart 2024 beëindigd, omdat hij geschikt is voor zijn maatgevende arbeid.
Bij besluit van 1 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellant op de datum in geding geschikt is te achten voor zijn eigen werk (maatgevende arbeid).
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant ten tijde van de datum in geding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat er geen aanleiding is het primair gestelde standpunt te wijzigen. Hierbij is rekening gehouden met de verkregen informatie van de behandelend specialisten. Deze informatie geeft geen aanleiding om aan te nemen dat bij appellant sprake is van meer lichamelijke beperkingen per 12 maart 2024. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden beargumenteerd hoe de beoordeling tot stand is gekomen. Wat appellant heeft aangevoerd, maakt niet dat de rechtbank twijfelt aan de juistheid van de medische beoordeling van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het bij de beoordeling gaat om de beperkingen die objectief medisch kunnen worden onderbouwd. De klachten die iemand ervaart of een gestelde diagnose zijn dan ook niet beslissend bij de beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende toegelicht dat er geen reden is om meer beperkingen vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat appellant in beroep niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van zijn gezondheidstoestand op de datum in geding. De rechtbank heeft ook overigens geen aanknopingspunten gevonden om die conclusie te trekken.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn klachten. Hij heeft een veelvoud van medische klachten, waardoor hij niet in staat is om het werk als controleur corona app te verrichten.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan en de rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
Appellant heeft in hoger beroep een document ‘Zorgbeschrijving Dhr C Okcuoglu’ van onbekende datum of afzender, in het geding gebracht. Ter zitting is naar voren gekomen dat het document is opgemaakt in het kader van de thuiszorg van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 1 september 2026 voldoende gemotiveerd toegelicht dat dit document geen objectief medische informatie bevat waaruit blijkt dat het beeld dat de verzekeringsartsen van appellant hebben onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij van belang geacht dat zowel tijdens de primaire beoordeling, als de beoordeling in bezwaar al bekend was dat appellant thuiszorg krijgt en dat hij weliswaar niet rolstoel gebonden is, maar wel gebruik maakt van een rolstoel voor langere afstanden. De ernst van de klachten en de medische situatie van appellant wordt niet in twijfel getrokken, maar hij wordt met zijn beperkingen geschikt geacht voor het werk als corona app controleur. Het ontvangen van thuiszorg en het gebruikmaken van een rolstoel vormen geen belemmering om het eigen werk uit te voeren. Ook toen appellant het werk verrichtte, ontving hij thuiszorg en maakte hij gebruik van een rolstoel voor lange afstanden. De Raad kan deze toelichting volgen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) M.J.D. van Haren