Socialezekerheidsrecht
Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt…
Centrale Raad van Beroep, 22 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1394 · Centrale Raad van Beroep · 22 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1394
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Datum publicatie
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/1945 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1394
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat beëindiging ZW-uitkering per 15 november 2019 onterecht is en zij 104 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Beroep op het gewijzigde beoordelingskader bij een nieuwe ziekmelding van 23 december 2022 slaagt niet. Na 15 november 2019 zijn geen periode die, op grond van artikel 23, derde lid, aanhef en onderdeel b, onder 1, van de Wet WIA, zouden moeten worden meegeteld. Ook heeft appellante zich na 15 november 2019 niet binnen vier weken opnieuw ziekgemeld. Het Uwv heeft terecht gesteld dat appellante in het kader van de Wet WIA de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1945 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 juli 2024, 24/874 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante per 16 november 2020 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt. Volgens appellante is de beëindiging van de ZW-uitkering per 15 november 2019 onterecht en is zij 104 weken onafgebroken arbeidsongeschikt geweest. In dit verband heeft appellante een beroep gedaan op het gewijzigde beoordelingskader bij een nieuwe ziekmelding, zoals in de uitspraken van de Raad van 23 december 2022 is neergelegd. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.B. de Jong hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante is werkzaam geweest als administratief assistent voor 27,68 uur per week. Op 11 april 2016 is zij wegens ziekte voor haar werk uitgevallen en met ingang van 2 mei 2016 is aan haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 7 april 2017 de ZW-uitkering van appellante per 11 mei 2017 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar laatste werk als administratief assistent, maar wel tot het vervullen van drie andere functies. Het Uwv heeft appellante per 11 mei 2017 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
Appellante heeft zich vervolgens op 19 november 2018 vanuit de WW ziekgemeld met toegenomen klachten. Het Uwv heeft appellante met ingang van 18 februari 2019 een ZW-uitkering toegekend. Na een beoordeling door de verzekeringsarts op 13 november 2019 heeft het Uwv bij besluit van 13 november 2019 deze uitkering vanaf 15 november 2019 weer beëindigd, omdat appellante in staat werd geacht haar eigen werk, bestaande uit één van de in het kader van de eerdere EZWb geselecteerde functies, te kunnen vervullen. Het bezwaar tegen deze beëindiging is bij besluit van 28 januari 2020 ongegrond verklaard. In dit besluit heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellante geschikt is voor haar eigen werk, in dit geval twee functies die in het kader van de eerdere EZWb zijn geselecteerd. Appellante heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.
Appellante heeft op 17 augustus 2023 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Het Uwv heeft bij besluit van 28 augustus 2023 geweigerd appellante met ingang van 16 november 2020 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde dat zij gedurende 104 weken recht heeft gehad op een ZW-uitkering.
Appellante heeft tegen het besluit van 28 augustus 2023 bezwaar gemaakt. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat nu zij niet geschikt is voor drie, maar slechts voor twee van de eerder geselecteerde functies, zij ongeschikt is gebleven voor haar eigen werk en de wachttijd voor de Wet WIA heeft volgemaakt. Appellante beroept zich daarbij op de uitspraken van de Raad van 23 december 2022, waaruit volgt dat bij een nieuwe uitval na een EZWb beoordeeld moet worden of drie oorspronkelijk geselecteerde functies geschikt zijn gebleven.
Bij besluit van 22 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in dit besluit toegelicht dat appellante de wachttijd voor de Wet WIA niet heeft volgemaakt, omdat appellante bij de beoordeling van 13 november 2019 arbeidsgeschikt is geacht. Omdat niet is voldaan aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een WIA-uitkering, is er voor het Uwv geen aanleiding om een inhoudelijke beoordeling te verrichten.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het nieuwe beoordelingskader, waarbij een betrokkene voor drie van de eerder bij de EZWb geselecteerde functies geschikt moet zijn, geldt vanaf de datum van de uitspraken van de Raad van 23 december 2022. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor toepassing van dit gewijzigde beoordelingskader in gevallen waarin sprake is van een EZWb die voor deze uitspraak van de Raad heeft plaatsgevonden en die betrekking heeft op een datum voorafgaand aan die uitspraak. Voor appellante hoeft het al dan niet volbrengen van de wachttijd dus ook niet opnieuw te worden beoordeeld in het licht van de nieuwe rechtspraak van de Raad. De beroepsgrond van appellante dat analoge toepassing van de duuraanspraakjurisprudentie ertoe zou moeten leiden dat het nieuwe beoordelingskader moet worden gehanteerd, slaagt volgens de rechtbank evenmin. Het gaat hier immers om een beoordeling van de toen geldende wetgeving en rechtspraak. Dat de aanvraag om een WIA-uitkering dateert van 17 augustus 2023, maakt dat niet anders. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt en daarom met ingang van 16 november 2020 geen recht heeft op een WIAuitkering.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het besluit van 13 november 2019 in strijd is met de gewijzigde maatstaf die sinds de uitspraken van de Raad van 23 december 2022 geldt. De als gevolg hiervan onjuiste ZW-beslissing mag niet blijvend aan appellante worden tegenworpen. Naar analogie met vaste rechtspraak over duuraanspraken, geldt dat, wanneer de maximumduur van de ZW-uitkering nog niet zou zijn verstreken, appellante op grond van het oude beleid om een herziening had kunnen verzoeken. Bij het nieuwe beleid dat het Uwv voert is dit tot zelfs vijf jaar na beëindiging. Daarnaast dient op grond van artikel 23, derde lid, aanhef en onderdeel b, onder 1, van de Wet WIA zelfstandig te worden getoetst of appellante ongeschikt is geweest voor ‘zijn arbeid’. Het recht op ziekengeld is dus niet doorslaggevend voor het volmaken van de wachttijd. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat voor de vraag of de wachttijd is voltooid in het kader van de Wet WIA een zelfstandige beoordeling is vereist. Volgens appellante brengt het gegeven dat sprake is van een zelfstandige beoordeling op grond van artikel 23 van de Wet WIA mee dat bij toetsing van de wachttijd na een EZWb het gewijzigde beoordelingskader van toepassing is.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
In artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet voor hem een wachttijd van 104 weken geldt.
In het derde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1, van artikel 23, van de Wet WIA is bepaald, voor zover hier van belang, dat bij het bepalen van de wachttijd de perioden waarin recht bestaat op ziekengeld als bedoeld in de ZW en de daarop berustende bepalingen in aanmerking worden genomen en worden samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
In artikel 23, derde lid, aanhef en onderdeel b, onder 1, van de Wet WIA is bepaald, voor zover hier van belang, dat bij het bepalen van de wachttijd de perioden die niet al op grond van onderdeel a meetellen, maar waarin de verzekerde ongeschikt is geweest voor zijn arbeid, in aanmerking worden genomen. Deze perioden worden samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of het Uwv op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 23, derde lid, van de Wet WIA. Appellante voert aan dat het Uwv op grond van artikel 23, derde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1, van de Wet WIA opnieuw de beëindiging van haar ZW-uitkering per 15 november 2019 moet beoordelen en dat het Uwv daarnaast op grond van artikel 23, derde lid, aanhef en onderdeel b, onder 1, van de Wet WIA moet beoordelen of zij na 15 november 2019 arbeidsongeschikt is geweest voor ‘zijn arbeid’. Hierbij stelt appellante dat de gewijzigde maatstaf, zoals de Raad heeft neergelegd in de uitspraak van 23 december 2022, moet worden aangelegd.
In zijn uitspraak van 23 december 2022 heeft de Raad de volgende uitgangspunten geformuleerd.
Onder ‘zijn arbeid’ als bedoeld in artikel 19 van de ZW wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt uitzondering, wanneer de verzekerde – nadat het ziekengeld na een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 19aa, eerste lid en onder b, na 52 weken is geëindigd – niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek meldt. Ziekengeld kan in zo’n geval worden geweigerd wanneer is voldaan aan de volgende twee, cumulatieve, voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de EZWb geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%. Daarbij is niet van belang of de oorspronkelijke functies ten tijde van de latere ziekmelding nog in het CBBS aanwezig zijn. Evenmin is van belang of die functies ten tijde van de nieuwe ziekmelding op onderdelen qua belasting en/of beloning inmiddels zijn gewijzigd. Op deze laatste twee punten verandert de rechtspraak dus niet.
Uit de uitspraak volgt dat dit gewijzigde beoordelingskader geldt voor alle zaken waarin sprake is van een EZWb, een verzekerde niet in enig werk heeft hervat en zich daarna opnieuw heeft ziekgemeld. Bij uitspraak van gelijke datum heeft de Raad geoordeeld dat ook in zaken waarin het gaat om een ziekmelding na een WIA-beoordeling en waarin niet in enig werk is hervat, bovenstaande uitgangspunten zullen worden gehanteerd.
Artikel 23, derde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1, van de Wet WIA
Het Uwv heeft bij besluit van 13 november 2019 de ZW-uitkering van appellante beëindigd per 15 november 2019. Het bezwaar tegen deze beëindiging is bij besluit van 28 januari 2020 ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen geen beroep ingesteld. Dit betekent dat het besluit, waarbij het recht op ziekengeld per 15 november 2019 is beëindigd, in rechte vaststaat. Voor de toepassing van artikel 23, derde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1, van de Wet WIA betekent dit dat ervan uit moet worden gegaan dat er per die datum voor appellante geen recht op ziekengeld meer bestaat. De uitspraak van de Raad van 23 december 2022 maakt dit niet anders.
Ook de verwijzing naar de vaste rechtspraak over duuraanspraken leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat in deze zaak niet om een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit, waarbij het ziekengeld is beeïndigd. Ter zitting hebben partijen bevestigd dat appellante pas recent een verzoek om terug te komen van het besluit van 13 november 2019 bij het Uwv heeft ingediend.
Artikel 23, derde lid, aanhef en onderdeel b, onder 1, van de Wet WIA
De Raad heeft het gewijzigde beoordelingkader in de uitspraken van 23 december 2022 voor beoordelingen op grond van artikel 19 van de ZW laten gelden vanaf de datum van zijn uitspraken. De Raad ziet zich thans gesteld voor de vraag op welke wijze voor de toepassing van de Wet WIA, in het bijzonder artikel 23, derde lid, aanhef en onderdeel b, onder 1, van die wet, gevolg moet worden gegeven aan het per 23 december 2022 gewijzigde beoordelingskader. De Raad bepaalt omwille van de duidelijkheid als volgt.
Voor de beoordeling van de wachttijd op enig moment na 23 december 2022 geldt het volgende: perioden in de wachttijd waarin een betrokkene stelt ongeschikt te zijn voor ‘zijn arbeid’, die zijn gelegen vóór 23 december 2022, worden beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader, zoals dit gold vóór die datum. Voor perioden in de wachttijd die zijn gelegen na 23 december 2022, waarin een betrokkene stelt ongeschikt te zijn voor ‘zijn arbeid’, geldt het gewijzigde beoordelingskader.
Toepassing in deze zaak
Appellante heeft zich vanuit de WW ziekgemeld per 19 november 2018. Per die datum is de wachttijd voor de Wet WIA gaan lopen. Die wachttijd is gestuit per 15 november 2019, toen het recht op ziekengeld is beëindigd. Gesteld noch gebleken is dat er na 15 november 2019 periodes zijn die – met inachtneming van het vóór 23 december 2022 geldende beoordelingskader – op grond van artikel 23, derde lid, aanhef en onderdeel b, onder 1, van de Wet WIA, zouden moeten worden meegeteld. Appellante heeft zich na 15 november 2019 ook niet binnen vier weken opnieuw ziekgemeld. Dit betekent dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante terzake van haar ziekmelding per 19 november 2018 in het kader van de Wet WIA de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en M.E. Fortuin en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026.