Socialezekerheidsrecht
Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 62,28%. Voldoende medische en arbeidskundige…
Centrale Raad van Beroep, 22 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1414 · Centrale Raad van Beroep · 22 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1414
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/17 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1414
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 62,28%. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Juiste FML. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante. Vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/17 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
29 november 2024, 23/7446 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 13 maart 2023 heeft vastgesteld op 62,28%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld. Wel bestaat er aanleiding voor vergoeding van de proceskosten van appellante in bezwaar en beroep.
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak doorverwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 september 2026. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als business support medewerker voor 36 uur per week. Op 15 maart 2021 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten. Zij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 maart 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 62,28%.
Het Uwv heeft bij besluit van 28 maart 2023 aan appellante met ingang van 13 maart 2023 tot en met 29 maart 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Bij besluit van 6 april 2023 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering omgezet in een vervolguitkering per 30 maart 2023. Appellante heeft tegen deze twee besluiten bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft bij besluit van 5 mei 2023 appellante meegedeeld dat het besluit van 28 maart 2023 niet helemaal juist was, dat appellante met ingang van 13 maart 2023 tot en met 15 april 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering krijgt en dat vanaf 16 april 2023 de uitkering lager wordt.
Bij besluit van 29 september 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2023 ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Het gaat in deze zaak om de rapporten van de verzekeringsartsen van 13 maart 2023, 7 juli 2023 en 18 september 2023. De rechtbank heeft geconstateerd dat appellante op 13 maart 2023 wel degelijk is gezien door de verzekeringsarts waarbij zowel lichamelijk als psychisch onderzoek is verricht. Hij heeft het dossier met de daarin aanwezige medische informatie bestudeerd. Dit heeft geresulteerd in de FML van 13 maart 2023. Blijkens het rapport van 7 juli 2023 heeft de verzekeringsarts aanvullende medische stukken bestudeerd. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie verricht, kennisgenomen van de bezwaren en medisch onderzoek verricht op 28 augustus 2023.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van appellante in de rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd waarom geen sprake is van verdergaande beperkingen wat betreft de rugklachten en beenpijn met uitstraling naar de nek, schouders, armen en hoofd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat deze klachten niet zijn vermeld in de door appellante overgelegde huisartsenjournalen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tevens in zijn rapport van 18 september 2023 benadrukt dat het verslag van het röntgenonderzoek uit 2010 dateert en geen afwijkingen laat zien die de belastbaarheid beperken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder gerapporteerd dat ook bij lichamelijk onderzoek geen afwijkingen zijn te zien. Hieraan is toegevoegd dat het weliswaar mogelijk is dat appellante pijnklachten van de rug kan hebben, maar dat objectieve aanwijzingen voor beperkingen er niet zijn.
De door appellante ingezonden röntgenfoto uit 2010, dus van circa dertien jaar vóór de datum in geding, leidt niet tot twijfel aan het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. Hetzelfde geldt voor het tussentijds verslag van Movementsolutions (fysiotherapie) van 17 oktober 2024 over de behandeling van haar been- en rugklachten, reeds omdat het hierbij niet gaat om informatie van een arts. De rechtbank heeft opgemerkt nog op dat dit verslag dateert van 17 oktober 2024; ruim na datum in geding.
De grond van appellante betoogd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet in het bezit is van speciale apparatuur die een nauwkeurige scan zouden kunnen maken van haar rug en dat haar beperkingen niet goed zijn vastgelegd in de FML, slaagt niet. Het is niet de taak van een verzekeringsarts om diagnostiek te verrichten. Uit het huisartsenjournaal heeft de rechtbank bovendien opgemaakt dat appellante pas op 13 mei 2024 – ruim na datum in geding en kort voor de eerste geplande zitting in deze procedure – aan haar huisarts heeft gevraagd om een MRI scan van haar rug.
De rechtbank heeft verder opgemerkt dat de stukken die appellante recent heeft ingediend, voor een groot deel stukken zijn die al bekend zijn bij de verzekeringsartsen. De verzekeringsartsen waren ook bekend met het feit dat appellante sertraline gebruikt. De behandelingen die appellante in 2001 – ver voor datum in geding – bij FMT Fysiotherapie heeft gevolgd, leiden niet tot twijfel aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor appellante vastgestelde beperkingen. Ook de foto van een positieve COVID-19 test van 24 september 2024, kan niet leiden tot de conclusie dat het medisch rapport van 18 september 2023 onjuist is geweest. Daarnaast kunnen externe factoren, zoals mantelzorg, niet meegewogen worden in de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
Wat betreft de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gerapporteerd dat er geen beperkingen kunnen worden vastgesteld die afwijken van de al laag gestelde normaalwaarde voor items als vasthouden van de aandacht, verdelen van de aandacht en herinneren. De rechtbank heeft opgemerkt dat beide verzekeringsartsen de psychische klachten (depressieve stoornis en gegeneraliseerde angststoornis) hebben meegewogen en dat zij onder behandeling is. De rechtbank heeft in dit kader opgemerkt dat in rubriek 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beperkingen zijn aangenomen. Zo is appellante aangewezen op werk waarbij storingen en onderbrekingen geen wezenlijk onderdeel vormen van een functie. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen hun medisch oordeel duidelijk en zonder onjuistheden gemotiveerd.
Appellante heeft ook een brief van PsyQ van 18 juli 2024 ingebracht waarin behandelend psycholoog de huisarts informeert over de behandelingen die zij heeft gevolgd of gaat volgen. De diagnoses en de behandelingen die in de brief van PsyQ worden genoemd zijn niet anders dan de diagnoses en de behandelingen die al eerder zijn genoemd in de brief van PsyQ van 15 mei 2023. Deze brief is meegenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn rapport van 18 september 2023. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit afdoende duidelijk gemotiveerd.
Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is het gebruik van het medicijn sertraline geen aanleiding om beperkingen aan te nemen als gevolg van het medicatiegebruik. Bijwerkingen kunnen zich namelijk in de eerste fase van gewenning voordoen, maar die fase is appellante al geruime tijd voorbij. Bij aanhoudende bijwerkingen wordt doorgaans van medicatie gewisseld, maar dat is bij appellante niet gebeurd, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Tijdens het onderzoek in de primaire en bezwaar fase, maakte appellante voldoende alerte indruk. De hogere doses sertraline is eveneens pas op 27 mei 2024 voorgeschreven. Dit is ruim na datum in geding. De rechtbank heeft deze motivering voldoende geacht. Wat betreft de foto van de voorgeschreven temazepam, heeft de rechtbank vastgesteld dat appellante op geen enkele wijze met medische verklaringen heeft onderbouwd of, en zo ja op welke manier dat medicijn ten tijde van de datum in geding invloed had op haar medische toestand. Bovendien staat op de foto een datum van 29 oktober 2024, ruim na de in deze zaak relevante datum.
De tussenmeting ADHD heeft geen betrekking op de datum in geding en is opgesteld in het kader van de behandeling van appellante door de psycholoog. Er is geen verklaring van een arts die de betekenis van die tussenmeting in relatie brengt met de datum in geding en wat deze meting dan zou betekenen.
Dat een deel van het oude medisch dossier van appellante verloren is gegaan, heeft de rechtbank weliswaar ongelukkig geacht voor appellante, maar dat betekent niet dat daarom maar beperkingen zouden moeten worden aangenomen ten tijde van de datum in geding.
Volgens de rechtbank heeft appellante geen (nieuwe) medische verklaringen overgelegd, waaruit blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid onjuist zou hebben vastgesteld. De rechtbank heeft niet getwijfeld aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen.
Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen heeft de rechtbank in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om de geschiktheid van de geselecteerde functies in twijfel te trekken.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het toekennen van een proceskostenveroordeling. Over de proceskosten in bezwaar heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding bestaat voor een hogere vergoeding dan het in de beroepsfase door verweerder ‘coulancehalve’ toegekende bedrag van € 312,00 (een half procespunt).
Het standpunt van appellante
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante is – kort samengevat – van mening dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig is geweest en dat haar klachten zijn onderschat. Appellante wijst in dit verband op de gevolgde behandelingen. Ook de arbeidskundige kant van de schatting is volgens appellante onvoldoende gemotiveerd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante stukken ingezonden, die zien op de behandelingen van een seksuoloog en psycholoog en het gebruik van sertraline. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen kosten in bezwaar en beroep heeft toegekend, gelet op het onrechtmatige besluit van 28 maart 2023.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 62,28% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt voor wat betref de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Wat appellante in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak over de medisch beoordeling heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die zij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat wat appellante heeft aangevoerd geen reden geeft om te twijfelen aan de medische inhoudelijke beoordeling van de verzekeringsartsen welke lichamelijke en psychische beperkingen voor haar van toepassing zijn op 13 maart 2023. De gronden waarop het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak berust worden onderschreven. In hoger beroep heeft appellante geen medische stukken ingediend die leiden tot een andersluidend medisch oordeel. Uit de door appellante overgelegde stukken over door haar gevolgde behandelingen volgen geen beperkingen. Bovendien zien deze stukken niet op de datum in geding, 13 maart 2023.
Arbeidskundige beoordeling
Uitgaande van de juistheid van de FML van 13 maart 2023 wordt geoordeeld dat de drie functies waarop, zoals volgt uit de rapporten van de arbeidsdeskundigen de nadere berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 62,28% steunt, in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. De geschiktheid van deze voorbeeldfuncties is in de arbeidskundige rapporten afdoende toegelicht.
Proceskosten
Wat appellante heeft aangevoerd over de proceskosten in bezwaar slaagt. Met het besluit van 5 mei 2023 is het rechtsgevolg gewijzigd. Het Uwv heeft in het besluit erkend dat het besluit van 28 maart 2023 niet helemaal juist was vanwege de onjuiste vaststelling van de duur van de toegekende WGA-uitkering. Bij het besluit van 5 mei 2023 is de duur van de toegekende WGA-uitkering gewijzigd, maar zijn geen proceskosten in bezwaar toegekend. De rechtbank heeft de nadien ‘coulancehalve’ toegekende vergoeding van € 312,- (waarde van een half punt in 2024) ten onrechte voldoende geacht. Het hoger beroep slaagt dus op dit punt.
Conclusie en gevolgen
De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank geen proceskosten in bezwaar aan appellante heeft toegekend. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor het overige, wat betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering met ingang van 13 maart 2023 aan appellante, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 62,28%, in stand blijft.
5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar en beroep. Deze kosten worden begroot op in totaal € 3.200,00, bestaande uit € 1.332,- in bezwaar (bezwaarschrift 1 punt, hoorzitting 1 punt, € 666,- per punt) en € 1.868,-in beroep (beroepschrift 1 punt en zitting 1 punt, € 934,- per punt). In hoger beroep werd appellante niet meer bijgestaan door een professionele gemachtigde.
De reiskosten die appellante heeft moeten maken voor het bijwonen van de zittingen bij het Uwv, de rechtbank en de Raad tot een bedrag van € 41 (openbaar vervoer 2e klasse) komen eveneens voor vergoeding in aanmerking.
In totaal komen de te vergoeden kosten in hoger beroep op € 3.241,-.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 193,- te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank geen kosten in bezwaar en beroep aan appellante heeft toegekend;
-
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
-
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.241,-;
-
bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 193,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk in tegenwoordigheid van L. Siebes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026.