Socialezekerheidsrecht

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende…

Centrale Raad van Beroep, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
26/232 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1417
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische onderbouwing. Juiste FML. De geselecteerde functies zijn passend bij de belastbaarheid van appellante.

Uitspraak

26/232 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 december 2025, 25/315 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellante per 8 mei 2024 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.E.J. Dohmen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 augustus 2026. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Dohmen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als pedagogisch medewerkster voor 23,91 uur per week. Op 11 mei 2022 heeft zij zich ziekgemeld met belemmerende gezondheidsklachten. Met ingang van 1 februari 2023 heeft het Uwv aan haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) heeft toegekend. Bij besluit van 13 december 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellante beëindigd per 14 januari 2024. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.2.

Appellante heeft op 13 februari 2024 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) gedaan. Bij besluit van 14 februari 2024 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante met ingang van 8 mei 2024 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat zij 104 weken recht heeft gehad op een ZW-uitkering.

1.3.

Bij besluit op bezwaar van 30 december 2024 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 december 2023 gegrond verklaard en de ZW-uitkering van appellante ongewijzigd voortgezet tot en met 7 mei 2024.

1.4.

Bij besluit op bezwaar van 31 december 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in dit besluit de weigering om appellante met ingang van 8 mei 2022 een WIA-uitkering toe te kennen gebaseerd op de vaststelling dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft beperkingen aangenomen en deze beperkingen neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 december 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en op basis daarvan het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 15,4%.

Uitspraak van de rechtbank

2.1.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht en de rechtbank heeft geen reden aan de juistheid van de inhoudelijke medische beoordeling te twijfelen. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening gehouden met de psychische klachten van appellante, wat tot uiting komt in de beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Ook is kenbaar rekening gehouden met de astma, allergieën en fibromyalgie. Met betrekking tot de geclaimde urenbeperking heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar toegelicht dat daarvoor geen aanleiding bestaat. Zo heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat hij geen vermoeidheid heeft waargenomen tijdens het spreekuur, dat uit het dagverhaal blijkt dat appellante behoorlijk actief is en dat de sociale omstandigheden van appellante buiten beschouwing moeten worden gelaten. Wel zijn avond- en nachtdiensten niet mogelijk en is appellante aangewezen op regelmatige werktijden.

2.2.

De in beroep door appellante ingebrachte medische stukken waren voor een groot deel al bekend bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Drie nieuwe medische stukken betreffen recente informatie (het Wmo-evaluatieplan, medicatieoverzicht en afsprakenoverzicht) en hebben geen betrekking op de datum in geding. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Appellante heeft alle mogelijkheden gekregen de medische beoordeling te betwisten en heeft dit ook gedaan door medische informatie in het geding te brengen. Ondanks dat appellante die medische informatie in het geding heeft gebracht, en die informatie geschikt is om twijfel te zaaien, twijfelt de rechtbank niet aan de juistheid van de inhoudelijke beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De enkele omstandigheid dat appellante het daarmee niet eens is, is geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank geen reden gezien te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv haar medische beperkingen onvolledig, althans onvoldoende zorgvuldig, heeft vastgesteld. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep nadere (medische) stukken ingediend. Volgens appellante blijkt uit deze stukken dat geen sprake is van een situatie waarin appellante duurzaam en structureel belastbaar kan worden geacht. De medische en overige stukken laten een consistent beeld zien van langdurige psychische en lichamelijke problematiek, waaronder PTSS, fibromyalgie, astma, depressieve klachten, schildklierproblematiek en een zeer beperkte dagelijkse belastbaarheid. Daar komt bij dat appellante inmiddels een weer vanaf begin 2025 ZW-uitkering ontvangt. De huidige situatie kan volgens appellante niet los worden gezien van de weigering van de WIA-uitkering. Volgens appellante bevestigt de huidige situatie dat geen sprake was van een daadwerkelijke en bestendige arbeidsgeschiktheid, maar van een voortdurende, ernstige en medisch complexe problematiek. De traumabehandeling is pas in januari 2026 intensief gestart en kent een intensieve belasting. Uit de Wmo-stukken blijkt dat appellante niet in staat wordt geacht zelfstandig haar huishouden uit te voeren en uit het leefzorgplan blijkt dat dit uitdrukkelijk wordt gekoppeld aan haar huidige belastbaarheid.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

5.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat zij in de beroepsprocedure heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

5.3.

De in hoger beroep overgelegde medische informatie – voor zover niet al eerder ingebracht – bevat geen nieuwe informatie over de gezondheidssituatie van appellante op 8 mei 2024, de datum in geding. Tijdens de zitting is naar voren gebracht dat appellante sinds januari 2026 intensieve behandeling volgt, en dat haar huidige behandelaar klinisch psycholoog en psychotherapeut L. Rengers mogelijke vragen kan beantwoorden. Niet is onderbouwd welke relevantie de huidige behandeling heeft voor de beoordeling van de medische situatie van appellante ten tijde van de datum in geding. Die relevantie is ook niet gebleken uit de nader ingediende stukken. Daar komt bij dat zich in het dossier informatie bevindt van deze behandelaar over appellante, te weten het Behandelplan van 22 november 2024. Deze informatie is kenbaar meegewogen in de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

5.4.

Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv, ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

7. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026.


(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) S.P.A. Elzer