Socialezekerheidsrecht

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende…

Centrale Raad van Beroep, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
25/2116 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1416
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Juiste FML. De geselecteerde functies zijn passend bij de belastbaarheid van appellante.

Uitspraak

25/2116 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 september 2025, 25/359 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante per 29 april 2024 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 augustus 2026. Voor appellante is verschenen mr. A. Bal, advocaat en kantoorgenoot van mr. M.I. Bal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als teeltmedewerkster voor 31,72 uur per week. Op 2 mei 2022 heeft zij zich vanuit een situatie van werkloosheid ziekgemeld met rugklachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 april 2024. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk en heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd, op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 0%. Het Uwv heeft bij besluit van 10 juni 2024 geweigerd appellante met ingang van 29 april 2024 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij besluit van 24 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van de FML van 15 april 2024. In een rapport van 23 december 2024 heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het maatmaninkomen gewijzigd, één van de eerder geselecteerde functies laten vervallen en de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de resterende functies ongewijzigd vastgesteld op 0%.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek door de verzekeringsartsen en dat het bestreden besluit goed is gemotiveerd. In beroep is niets aangevoerd wat de rechtbank doet twijfelen aan het bestreden besluit.

2.1.

Appellante heeft erop gewezen dat zij sinds 2022 subklinische hyperthyreoïdie heeft en dat deze aandoening verschijnselen heeft als vermoeidheid, concentratiestoornissen en traagheid in denken en handelen. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat subklinische hyperthyreoïdie inhoudt dat de aandoening zich nog niet in klinische symptomen heeft geuit en dat op basis hiervan geen specifieke beperkingen zijn te duiden. Wat betreft de ijzergebreksanemie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat deze in 2023 is vastgesteld en dat dit wordt gesuppleerd met ferrofumaraat. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen informatie dat het Hb zodanig laag is dat daarvoor beperkingen moeten worden aangenomen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat appellante al beperkt is voor zware arbeid. De rechtbank heeft dit kunnen volgen.

2.2.

De rechtbank heeft appellante niet gevolg in haar standpunt dat de verzekeringsarts had moeten onderzoeken of appellante ernstige beperkingen heeft als gevolg van haar psychische klachten. Appellante heeft niet gemeld dat zij psychische problemen had en ook uit het dossier komen geen psychische klachten naar voren. De verzekeringsarts heeft een psychische observatie verricht en vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn voor psychopathologie. Appellante heeft in beroep geen nieuwe medische stukken ingediend.

2.3.

De rechtbank heeft ten aanzien van de lichamelijke klachten van appellante overwogen dat appellante volgens de verzekeringsarts ongeveer een uur achtereen en het grootste deel van de werkdag kan zitten, maar dat zij moet kunnen afwisselen van houding, Zij kan niet dwingend langdurig aaneengesloten zitten, maar moet tijdens het zitten kunnen vertreden. Appellante heeft geen medische informatie ingebracht die aan deze conclusie doet twijfelen.

2.4.

De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar betoog dat de functie van modinette vitrage (SBC-code 111160) ongeschikt is omdat ze elk moment moet kunnen gaan staan en lopen en omdat er sprake zou kunnen zijn van een overschrijding wat betreft staan. De rechtbank heeft overwogen dat de arbeidsdeskundige heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een overschrijding in de functie modinette vitrage wat betreft het zitten. Appellante moet in deze functie elk uur vier keer een minuut staan en vijf keer een minuut lopen. Daardoor wordt het zitten voldoende afgewisseld. De rechtbank kan dit volgen. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat in de FML is opgenomen dat appellante moet kunnen afwisselen van houding, dus ook tijdens het zitten moet kunnen vertreden (niet dwingend langdurig aaneengesloten zitten). Bij de ziektewetbeoordeling is aangenomen dat appellante naar eigen inzicht zitten, staan en lopen moet kunnen afwisselen, maar deze beperking is nu niet meer in deze vorm aangenomen. De primaire verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante tijdens het spreekuur aaneengesloten kan blijven zitten, maar regelmatig afwisselde van houding. Hierbij is niet vermeld dat appellante ging staan of lopen.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij zich gelet op haar zware beperkingen niet in staat acht om te werken. Zij heeft ernstige pijnklachten aan de heupen, rug, benen en knieën en kan niet langdurig zitten. Uit het onderzoek blijkt bovendien dat sprake is van een beperkte anteflexie. Verder is tijdens het medisch onderzoek onvoldoende onderzoek gedaan naar de vraag of appellante in staat is de om de werkplek te bereiken en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd waarom geen informatie is opgevraagd bij de behandelende fysiotherapeut over de nekpijn die appellante ervaart. Volgens appellante had dit moeten gebeuren vanwege de aard en de ernst van haar lichamelijke klachten.

3.1.

Appellante heeft verder aangevoerd dat ten onrechte is gesteld dat uit het dossier geen psychische klachten naar voren komen. Zij heeft meerdere malen aangegeven last te hebben van vermoeidheid. Ook uit het gesprek met de anesthesioloog drs. H.J.G. Jessen van 4 mei 2023 blijkt dat appellante vermoeidheid en lusteloosheid ervaart. De lichamelijke klachten van appellante zijn ernstig, waardoor de psychische component van haar klachten onderbelicht is gebleven. De ernst van de lichamelijke problematiek draagt bovendien bij aan het ontstaan en verergeren van mentale klachten. Appellante heeft erop gewezen dat zij subklinische hyperthyreoïdie en ijzergebreksanemie heeft en dat deze aandoeningen vermoeidheid tot gevolg hebben en dus aanleiding geven voor een urenbeperking. Appellante is vanwege de klachten niet in staat om medicatie in te nemen.

3.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen vanwege haar fysieke belastbaarheid. In alle functies wordt gedurende de hele dag gezeten. In de functie textielproductenmaker (SBC-code 111160) moet appellante een pedaal bedienen. Dit betekent dat appellante gedwongen in een houding dient te zitten. In de functie administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) wordt haar belastbaarheid overschreden door het trappenlopen – de werkplek is op de tweede etage – en eens per maand is sprake van 60 minuten dwingend langdurig zitten tijdens een teamoverleg. Van dwingend langdurig zitten is volgens appellante ook sprake in de functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) waarbij niet duidelijk is aangegeven wat kort vertreden inhoudt.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. In hoger beroep heeft het Uwv nog een nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 augustus 2026 en een nader rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 augustus 2026 ingediend.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

5.2.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep tegen de medische onderbouwing van het bestreden besluit heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak en, zoals verkort weergegeven onder 2 van deze uitspraak, gemotiveerd besproken. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de aangevallen uitspraak op deze onderdelen onjuist dan wel onvolledig is.

5.3.

De beroepsgrond dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest omdat geen informatie is ingewonnen bij de fysiotherapeut slaagt niet. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak overweegt de Raad dat een verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is aangewezen als een behandeling in gang is gezet of zal worden ingezet die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of als een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van deze situaties doet zich voor. Daarbij is nog van belang dat er veel medische informatie van diverse artsen, onder andere van een huisarts, neurochirurg, anesthesioloog en orthopedisch chirurg in het dossier zit en dat appellante ook zelf geen informatie van de fysiotherapeut heeft ingebracht. Niet is gebleken dat medisch relevante informatie is gemist.

5.4.

Voor het standpunt van appellante dat gezien haar lichamelijke en psychische klachten meer beperkingen aangenomen moeten worden ontbreekt een medisch objectiveerbare onderbouwing. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 8 december 2024 en aanvullend in de rapporten van 1 augustus 2025, 4 augustus 2025 en 21 augustus 2026 inzichtelijk gemotiveerd dat rekening is gehouden met de rugklachten, linkerheupklachten en de status na ijzergebreksanemie en subklinische hypothyreoïdie. In het rapport is de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog uitgebreid ingegaan op de in hoger beroep ingebrachte gronden en daarvan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd en inzichtelijk geconcludeerd dat die gronden geen aanleiding geven voor een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarin onder meer opgemerkt dat de vermoeidheidsklachten niet dusdanig zijn dat die aanleiding geven voor een verdere beperking, dat daarbij van belang is dat geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld, dat met de beperkte anteflexie rekening is gehouden en dat geen medische gronden zijn voor een beperking op vervoer. Appellante heeft geen medische gegevens in het geding gebracht die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Arbeidskundige beoordeling

5.5.

De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante. Appellante wordt in staat geacht één uur achtereen te zitten en dit acht uur per dag, mits er de mogelijkheid is om van houding te wisselen. In een rapport van 20 augustus 2026 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep erop gewezen dat in elke functie de mogelijkheid bestaat om van houding te wisselen. Uit het formulier Resultaat functiebeoordeling blijkt dat bij de functie administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) de belasting van appellante voor trappenlopen in die functie niet wordt overschreden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 20 augustus 2026 meegedeeld dat de arbeidsdeskundig analist in een op een eerder moment verstrekte toelichting heeft aangegeven dat er een lift aanwezig is op de werkplek. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de in het resultaat functiebeoordeling vastgelegde functiebelasting.

Conclusie en gevolgen

5.6.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026.


(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) S.P.A. Elzer

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 2 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1306.