Socialezekerheidsrecht
Beëindiging ZW-uitkering op de grond dat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende…
Centrale Raad van Beroep, 22 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1415 · Centrale Raad van Beroep · 22 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1415
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/2831 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1415
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beëindiging ZW-uitkering op de grond dat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. In hoger beroep pas voorzien van een deugdelijke medische en arbeidskundige onderbouwing. Appellant is hierdoor niet benadeeld. De geselecteerde functies zijn geschikt voor appellant. Vergoeding proceskosten en griffierecht.
Uitspraak
24/2831 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 november 2024, 24/3273 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 3 november 2023 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij door zijn (medische) beperkingen niet in staat om de geselecteerde functies te verrichten, zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.H. Amstelveen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 augustus 2026. Appellant is via videobellen verschenen, bijgestaan door mr. Amstelveen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van Haaften.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als dierenverzorger voor 39,77 uur per week. Op 21 september 2022 heeft hij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars Ziektewet-beoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 september 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk en heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en het verdienvermogen van appellant vastgesteld op 91,24%. Het Uwv heeft bij besluit van 2 oktober 2023 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 3 november 2023 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 20 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft extra beperkingen aangenomen en heeft die beperkingen neergelegd in de FML van 28 februari 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het opleidingsniveau van appellant gewijzigd en naar aanleiding van de gewijzigde FML twee functies laten vervallen en een nieuwe gelijksoortige functie geselecteerd. Het verdienvermogen van appellant is hierdoor gewijzigd naar 79,57%. Appellant kan dus nog steeds meer dan 65% verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het Uwv heeft daarom geen reden gezien het standpunt te wijzigen.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Het medisch onderzoek is gebaseerd op dossierstudie, anamnese, onderzoek door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ook is medische informatie van de behandelend sector betrokken. Verder heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd toegelicht dat er geen reden is om volledige arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Het revalidatietraject was op de datum in geding nog niet gestart en daarnaast gaat het om een weinig intensief traject. De verzekeringsartsen hebben rekening gehouden met scoliose en facetartrose in de rug en hiervoor diverse rugbesparende beperkingen aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullende beperkingen aangenomen voor ‘staan tijdens het werk’ en ‘zitten tijdens het werk’ en daarbij opgemerkt dat een zittende functie, waarbij overwegend wordt gezeten en waarbij de mogelijkheid is om te vertreden, passend is voor appellant. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat er geen grond is voor een beperking van de duurbelastbaarheid, omdat appellant niet voldoet aan de criteria zoals neergelegd in de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom hij in de in beroep ingebrachte medische informatie geen aanleiding ziet om zijn standpunt te wijzigen. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om appellant als gevolg van hypoglycemische problematiek meer beperkt te achten en dat op de datum in geding niet was vastgesteld dat sprake is van een licht verstandelijke beperking.
Over de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat uitgaande van de juistheid van de FML de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende onderbouwd waarom appellant is ingeschaald in opleidingsniveau 3. Appellant heeft vijf jaar praktijkonderwijs gevolgd, een MBO-I diploma behaald en daarna twee MBO-2 opleidingen met een duur van twee jaar gevolgd en met diploma’s afgerond. Appellant heeft niet onderbouwd dat hij de in de geselecteerde functies gevraagde opleidingen niet zou kunnen volgen. Het feit dat appellant speciaal onderwijs heeft gevolgd brengt in het licht van de gevolgde MBO-2 opleidingen niet met zich mee dat de opleidingen voor hem niet haalbaar zijn. Dit geldt ook voor het vermoeden van de huisarts van appellant dat sprake zou kunnen zijn van een licht verstandelijke beperking.
Het standpunt van appellant
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met het vermoeden van een licht verstandelijke beperking. Uit de brief van de huisarts blijkt dat bij appellant sprake is van hypoglycemische problematiek en dat regelmatig sprake is van collapsen. De huisarts heeft aangegeven dat appellant hiermee moet leren leven. Dat de problemen liggen bij de inname van eten, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt, blijkt niet uit de brief van de huisarts. Ook heeft appellant meer beperkingen als gevolg van zijn rugklachten dan is aangenomen en is hij door zijn rugklachten en hypoglycemische problematiek wisselend belastbaar. Appellant heeft verzocht om benoeming van een deskundige. Daarnaast heeft het Uwv bij de geselecteerde functies onvoldoende rekening gehouden met het opleidingsniveau van appellant en zijn lichamelijke beperkingen. De geselecteerde functies zijn volgens hem niet passend vanwege overschrijding van zijn fysieke belastbaarheid, het opleidingsniveau, het begrijpen en lezen van de Nederlandse taal en het volgen van een opleiding. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat opleidingsniveau 3 juist is vastgesteld. De omstandigheid dat bij appellant (nog) geen licht verstandelijke beperking is vastgesteld betekent niet dat hiervan geen sprake is. De huisarts heeft aangegeven dat appellant snel wordt overvraagd en dat hij moeite heeft dingen te begrijpen. Dit is al sinds zijn jonge jaren het geval. Hij heeft vijf jaar praktijkonderwijs gevolgd, omdat hij moeite had met het volgen van onderwijs en heeft veel begeleiding gehad om zijn diploma’s te kunnen behalen. Verder is appellant dyslectisch en ervaart hij hier veel hinder van. Opleidingsniveau 3 is daarom niet reëel te achten.
Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt nadere stuken ingediend, waaronder een verslag van diagnostisch onderzoek van 24 december 2024, een verslag van een psychodiagnostisch onderzoek van 15 februari 2016 en een dyslexieverklaring uit 2016. Volgens appellant blijkt uit het diagnostisch onderzoek uit 2024 dat hij verstandelijk beperkt is en dat zijn adaptieve vaardigheden (zeer) laag zijn in vergelijking met leeftijdsgenoten waar het gaat om conceptuele, sociale en praktische vaardigheden. Dit betekent dat hij hulp nodig heeft bij verschillende dagelijkse activiteiten. Ook komen er uit het onderzoek aanwijzingen naar voren over psychische problemen en lijken de slaapproblemen van appellant op de voorgrond te staan. Dit alles leidt er volgens appellant toe dat in de FML meer rekening moet worden gehouden met de slaapproblematiek, zijn persoonlijk en sociaal functioneren en zijn energiebehoefte.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. In hoger beroep heeft het Uwv naar aanleiding van de ingebrachte medische stukken een nader rapport ingebracht van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 augustus 2025. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in verband met de dyslexie van appellant aanleiding gezien de FML te wijzigen, in die zin dat appellant aanvullend beperkt is voor spreken en schrijven, en heeft deze wijzigingen neergelegd in de FML van 13 augustus 2025. Voor verdere aanvullende beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien. De arbeidsdeskundige heeft naar aanleiding van deze wijziging een functie laten vervallen, een als reserve geselecteerde functies voor de berekening gebruikt en het verdienvermogen van appellant gewijzigd vastgesteld op 77,48%. Dit is nog steeds meer dan 65% van zijn maatmaninkomen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatst verdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank daarover en de hieraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 13 augustus 2025 deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd dat de nader ingebrachte stukken geen aanleiding geven voor het aanpassen van de belastbaarheid, behalve wat betreft de dyslexie.
Uit de resultaten van enkele zelfscoringstesten, zonder klinisch onderzoek, meer dan een jaar na de datum in geding kunnen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen conclusies worden getrokken over de psychische toestand van appellant op de datum in geding. Ook kunnen op basis van de uitslag van het diagnostisch onderzoek geen conclusies worden verbonden aan het adaptief vermogen noch aan afhankelijkheid van dagelijks hulp, meer dan een jaar na de datum in geding, omdat de onderzoekers hebben aangegeven dat indruk bestaat dat zowel zijn intelligentie als zijn adaptieve vaardigheden erg worden ingekleurd door zijn klachtenbeeld (vermoeidheid door forse slaapproblematiek en depressieve klachten). Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep meegewogen dat appellant al sinds 2018 veertig uur per week werkt, zelfstandig woont en zijn huishouden zelfstandig verzorgt. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat van een licht verstandelijke beperking geen sprake is, omdat het IQ van appellant met 95% zekerheid wordt geschat tussen 69 en 79, waarbij van belang is dat het testresultaat een momentopname is en bij de interpretatie van de resultaten rekening moet worden gehouden met de vermoeidheid die appellant ervaarde tijdens de test. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien voor het aannemen van beperkingen op het sociaal vlak. Dat appellant weinig sociale contacten heeft, is hiervoor geen aanleiding en werken zal een positief effect hebben op de grootte van het sociale netwerk. Verder staan in het onderzoek geen negatieve resultaten ten aanzien van geheugen en concentratie, integendeel, de onderzoekers merken op dat het begrijpen en vasthouden van de instructies tijdens de intelligentietests voldoende is. Daarom is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische grond voor het stellen van beperkingen op concentratie en geheugen, zeker niet nu deze items in het CBBS al als laagnormaal worden gezien. Wat betreft de slaapproblematiek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat appellant vrijwel zijn hele leven al bekend is met slecht slapen, wat door zijn rugklachten is verergerd. Uit het primaire onderzoek en het onderzoek in bezwaar bleken geen aanwijzingen van sterke vermoeidheid, wel dat appellant overdag slaapt, wat juist de nachtrust negatief beïnvloedt. Dat appellant tijdens het diagnostisch onderzoek vermoeid was vanwege een slechte nacht is geen grond om appellant op medische grond een jaar daarvoor minder belastbaar te achten. De Raad kan dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen, te meer nu dit standpunt niet nader met medisch onderbouwde argumenten is betwist. Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank daaromtrent. Daar wordt nog aan toegevoegd dat de in hoger beroep resterende functies ten hoogste een opleidingsniveau 2 hebben, dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 15 augustus 2025 heeft opgemerkt dat in de functie van monteur [B](SBC-code 267053) sprake is van zeer eenvoudige instructies en geen sprake is van een hoog leestempo, dat de beheersing van de Nederlandse taal van appellant voldoende is voor het volgen van de interne opleiding respectievelijk interne cursus in de functies van monteur 3 (SBC-code 267041) en inpakker (SBC-code 111190). Ook heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de functies ook geschikt zijn voor wat betreft de fysieke beperkingen van appellant.
Conclusie en gevolgen
De Raad stelt vast dat het Uwv pas het bestreden besluit pas in hoger beroep is voorzien van een deugdelijke medische en arbeidskundige onderbouwing. Daaruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit gebrek zal worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met dezelfde inhoud zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZWuitkering per 3 november 2023 in stand blijft.
De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt) voor verleende rechtsbijstand. In totaal € 3.736,- aan kosten voor verleende rechtsbijstand.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
bevestigt de aangevallen uitspraak;
-
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 3.736,-;
-
bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 189,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026.