Socialezekerheidsrecht
Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Geen toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na…
Centrale Raad van Beroep, 22 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1413 · Centrale Raad van Beroep · 22 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1413
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/2176 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1413
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Geen toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na 12 augustus 2021. Geen aanleiding tot benoeming onafhankelijk deskundige.
Uitspraak
25/2176 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 september 2025, 24/6693 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een WIAuitkering toe te kennen, omdat bij appellant met ingang van 18 maart 2022 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 12 augustus 2021 in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen door zijn psychische klachten dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 augustus 2026. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. A. Bal, advocaat en kantoorgenoot van mr. M.I. Bal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als operator voor 40 uur per week. Appellant heeft zich op 25 juni 2015 ziekgemeld. Hij ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 22 juni 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100% omdat appellant geen benutbare mogelijkheden had. De uitkering is na herkeuringen in 2018 en 2019 ongewijzigd voortgezet. De WIA-uitkering is per 12 augustus 2021 beëindigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dit besluit is na bezwaar, beroep en hoger beroep in stand gebleven.
Appellant heeft zich op 7 juli 2022 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten met ingang van 18 maart 2022. Na onderzoek door een verzekeringsarts van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 31 oktober 2023 geweigerd appellant met ingang van 18 maart 2023 (moet zijn 2022) een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellant (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering per 12 augustus 2021.
Bij besluit van 14 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts de beperkingen van appellant op datum in geding heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 24 oktober 2023 en deze heeft vergeleken met beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 november 2021, die golden ten tijde van de beëindiging van de uitkering. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat een EMDR-behandeling op zich verstorend kan werken, maar dat niet is gebleken dat dit het geval is geweest bij appellant. Anamnestisch zijn de klachten en het niveau van functioneren vrijwel identiek aan die ten tijde van de laatste beoordeling. Het gegeven dat de behandeling bestond uit tien sessies van een uur en dat appellant vermijdend gedrag liet zien is meegewogen door de verzekeringsarts bij haar conclusie dat een medische verslechtering in 2022 niet te objectiveren is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de conclusie van de verzekeringsarts gedeeld en daarbij overwogen dat uit de informatie van onder meer de psycholoog van GGZ Evergreen en van Timbre blijkt dat appellant tijdens de EMDRbehandeling vermijdend gedrag had en hij niet vertelde wat er in hem opkwam. De EMDR-behandeling had daardoor niet voldoende effect en de behandeling van Timbre psychologie is begeleidend van aard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant niet aannemelijk gemaakt door middel van medische stukken dat de gegeven beoordeling onjuist zou zijn. De door appellant aangehaalde uitspraak van de Raad van 21 juni 2023 is niet op hem toepasbaar is, omdat deze uitspraak ziet op een situatie waarin een behandelend arts afdoende heeft gemotiveerd dat bij een gelijkblijvende situatie het de start van de EMDRtherapie was, die maakte dat de klachten waren toegenomen. Appellant heeft geen verklaring van een arts ingebracht met die strekking. De stelling van appellant dat hij een toename in beperkingen in persoonlijk functioneren heeft die wordt veroorzaakt door gebruik van medicatie zoals antidepressiva, antipsychotica en stemmingsverbeteraars heeft appellant niet onderbouwd, zoals bijvoorbeeld met andersluidende medische informatie van behandelaars.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een toename van zijn beperkingen. Appellant heeft een EMDR-behandeling ondergaan, waarvan ook de verzekeringsarts heeft bevestigd dat deze behandeling ontregelend kan werken. Uit het onderzoek is gebleken dat appellant deze behandeling als zeer zwaar ervaart. Ook uit de rechtspraak van de Raad volgt dat een EMDR-behandeling beperkingen met zich brengt. Het ondergaan van een dergelijke behandeling leidt tot een toename van klachten en beperkingen. Het standpunt dat hiervan in het geval van appellant geen sprake zou zijn, is onvoldoende gemotiveerd. Daarbij is geen rekening gehouden met het feit dat appellant ernstige klachten ondervindt en daarnaast zware medicatie gebruikt ter behandeling van zijn psychische problematiek. Ter zitting van de Raad is nog aangevoerd dat de conclusie van de verzekeringsarts dat de klachten en het niveau van functioneren anamnestisch vrijwel identiek zijn aan die ten tijde van de laatste beoordeling, onjuist is.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering een WIA-uitkering toe te kennen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Anders dan in de uitspraak van de rechtbank is vermeld, is niet artikel 55 van de Wet WIA, maar artikel 57 van die wet, in deze zaak het toepasselijke beoordelingskader. Op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op grond van artikel 56 is geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.
De vraag of sprake is van toegenomen beperkingen gaat vooraf aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. De vraag of de beperkingen van appellant op 18 maart 2022 zijn toegenomen moet plaatsvinden aan de hand van een vergelijking tussen de beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML van 23 november 2021, en de beperkingen die zijn vastgelegd naar aanleiding van de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 18 maart 2022.
Medische beoordeling
De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn in de kern een herhaling van wat appellante in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en gemotiveerd verworpen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt daar, gelet op wat in hoger beroep is aangevoerd, nog het volgende aan toe.
In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe medische stukken ingediend. Er bestaat geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het oordeel van de rechtbank dat de psychische beperkingen van appellant op de datum in geding niet zijn toegenomen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 8 augustus 2924 inzichtelijk gemotiveerd dat de FML van 24 oktober 2023 de beperkingen van appellant per 18 maart 2022 tot 12 juli 2023 op juiste wijze weergeeft. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, mede op basis van informatie van 16 augustus 2022 van de behandelaars bij Evergreen GGZ over de EMDR-behandeling en van 24 september 2023 van de behandelaar bij Timbre psychologie, geconcludeerd dat geen sprake is van een toename van de psychische klachten per 18 maart 2022. Dat bij appellant sprake is van een toename van de beperkingen als gevolg van de bijwerkingen van medicatie is niet met geobjectiveerde medische gegevens onderbouwd. De opmerking van de verzekeringsarts in het rapport van 24 oktober 2023 dat anamnestisch de klachten en het niveau van functioneren tijdens de beoordeling vrijwel identiek zijn aan de bevindingen van de laatste beoordeling is een medische conclusie van de verzekeringsarts. Een vergelijking door de gemachtigde van appellant van de anamneses is onvoldoende om aan deze conclusie te twijfelen. Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen, is er geen aanleiding een deskundige te benoemen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026.