Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling. Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde…
Centrale Raad van Beroep, 1 april 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:378 · Centrale Raad van Beroep · 1 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-378
Zaakgegevens
Op 1 april 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 april 2026
- Datum publicatie
- 2 april 2026
- Zaaknummer
- 24/1442 WW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:378
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Proceskostenveroordeling. Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 17 juli 2025 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1442 WW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 mei 2024, 23/4404 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 april 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.F.M. Deijkers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2025. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het Uwv te laten beoordelen of appellante in aanmerking komt voor kwijtschelding aan de hand van recent door het Uwv vastgesteld beleid, dat een versoepeling inhoudt van het voorheen geldende beleid.
Het Uwv heeft op 17 juli 2025 een nieuwe beslissing (op bezwaar) genomen.
Bij brief van 24 juli 2025 heeft mr. Deijkers namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft bij brief van 14 augustus 2025 meegedeeld af te zien van een verweer over het verzoek om een proceskostenveroordeling van appellante.
De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 17 juli 2025 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep. Dit betekent dat de Raad alleen hoeft te oordelen over de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) voor verleende rechtsbijstand. Ook de reiskosten die appellante heeft gemaakt voor het verschijnen ter zitting bij de Raad komen tot een bedrag van € 42,20 voor vergoeding in aanmerking. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 1.910,20.
Ook dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.910,20;
-
bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) M.G.J. van Eck