Socialezekerheidsrecht

Herziening en terugvordering AOW-pensioen. Schending inlichtingenplicht. Geen sprake van van duurzaam…

Centrale Raad van Beroep, 2 april 2026

Zaakgegevens

Op 2 april 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
2 april 2026
Datum publicatie
14 april 2026
Zaaknummer
25/816 AOW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:419
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Herziening en terugvordering AOW-pensioen. Schending inlichtingenplicht. Geen sprake van van duurzaam gescheiden leven. Dat de Belastingdienst verzoekers niet als gehuwd hebben aangemerkt, is niet van belang voor de Svb. De Svb heeft verklaard om in het kader van het op gang brengen van de aflossing in het eerste jaar akkoord te gaan met een terugbetaling van € 100,- per maand. Verzoekers hebben niet met stukken onderbouwd dat ze het terug te vorderen bedrag niet kunnen terugbetalen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/816 AOW, 25/817 AOW, 25/2062 AOW en 25/2063-vv AOW

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 maart 2025, 24/2841 en 24/3654 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats 1] (Duitsland) (verzoeker)

en

[verzoekster] te [woonplaats 2] (verzoekster)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 2 april 2026

SAMENVATTING

In deze zaak volgt de Raad het oordeel van de rechtbank dat de Svb terecht de AOWpensioenen van verzoekers heeft herzien en teruggevorderd. Daarbij is niet meer in geschil dat geen sprake was van duurzaam gescheiden leven. Het beroep tegen het invorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard, omdat niet met stukken is onderbouwd dat niet aan de maandelijkse aflossing kan worden voldaan. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

PROCESVERLOOP

Verzoekers hebben hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Op 23 september 2025 heeft de Svb een nader besluit genomen (invorderingsbesluit). Verzoekers hebben een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar de enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 19 februari 2026. Verzoekers zijn verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Verzoekers zijn sinds 1968 gehuwd. Zij zijn samen eigenaar van een woning in [woonplaats 2] , waar verzoekster woont. In 2006 hebben zij ook een woning in Duitsland gekocht, waar verzoeker sinds 2013 woont. Verzoeker heeft een eigen bedrijf in [plaats] . Beiden ontvingen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd een AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden. Op 10 juni 2013 is verzoekster bij haar echtgenoot in Duitsland gaan wonen, maar op 24 juli 2013 is zij weer teruggekeerd naar [woonplaats 2] . In verband hiermee hebben verzoekers op een formulier onderzoek woonsituatie in augustus 2013 verklaard dat zij niet meer samenwonen en geen contact meer met elkaar hebben. Hierop heeft de Svb met ingang van juli 2013 het AOW-pensioen van verzoekers herzien naar de norm van een ongehuwde, omdat vanaf 24 juli 2013 sprake zou zijn van duurzaam gescheiden leven.

1.2.

In oktober 2021 is de Svb een onderzoek gestart naar de woonsituatie van verzoekers. Daarbij is telefonisch met verzoeker gesproken, waarbij ook verzoekster aan het gesprek deelnam. De Svb heeft hieruit geconcludeerd dat verzoekers wel contact hebben met elkaar en heeft in december 2021 uit voorzorg het AOW-pensioen van beiden per januari 2022 geschorst naar de norm van een gehuwde. Na aanvullend onderzoek heeft de Svb bij besluiten van 18 februari 2022 de AOW-pensioenen van verzoekers met ingang van februari 2016 herzien naar een gehuwdenpensioen en het voornemen geuit het te veel uitbetaalde pensioen van hen terug te vorderen. Deze besluiten heeft de Svb ingetrokken bij brief van 2 juni 2022. Daarbij heeft de Svb aangekondigd opnieuw onderzoek te zullen doen naar de leefsituatie van verzoekers.

1.3.

In augustus 2023 heeft Svb opnieuw onderzoek gedaan naar de woonsituatie van verzoekers. Daarbij heeft een huisbezoek bij verzoeker plaatsgevonden, waarbij ook verzoekster aanwezig was. Dit onderzoek heeft er toe geleid dat de Svb vier besluiten heeft genomen. Met besluiten van 24 november 2023, 12 januari 2024 en 15 januari 2024 heeft de Svb het AOW-pensioen van verzoekers met ingang van juli 2013 herzien naar de norm van een gehuwde, omdat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Verder heeft de Svb het te veel betaalde AOW-pensioen van verzoekers over de periode van juli 2013 tot en met december 2021 teruggevorderd. Voor verzoekster gaat het om een bedrag van € 39.426,04 en voor verzoeker om een bedrag van € 36.271,70.

1.4.

Tegen deze besluiten hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Met besluiten van 30 april 2024 (bestreden besluiten 1 en 2) zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

1.5.

Tijdens het beroep tegen bestreden besluiten 1 en 2 heeft de Svb op 3 september 2024 en op 16 september 2024 nadere besluiten genomen (bestreden besluiten 3 en 4). Daarbij is met toepassing van het nieuwe beleid SB 1407 de herziening gematigd tot de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021. Hierdoor bedraagt het bedrag van de terugvordering nog geen 40% van het oorspronkelijk terug te vorderen bedrag. Verzoekster moet € 14.864,80 aan de Svb terugbetalen en verzoeker € 13.675,46. Er is volgens de Svb geen sprake van dringende redenen om de herziening of terugvordering nog verder te beperken.

Uitspraak van de rechtbank

2.1.

De rechtbank heeft de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard. Daarbij is een veroordeling uitgesproken over vergoeding van het griffierecht en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.

2.2.

De rechtbank is van oordeel dat vanaf 2013 geen sprake is geweest van een situatie van duurzaam gescheiden leven. Uit de stukken en uit wat op zitting is besproken blijkt dat verzoekers de huwelijkse samenleving niet hebben verbroken. Dat de Belastingdienst verzoekers niet als gehuwd hebben aangemerkt, is niet van belang. Het is de Svb die de AOW uitvoert en daarbij de voor die wet relevante criteria hanteert. Verder is de rechtbank van oordeel dat verzoekers de inlichtingenplicht hebben geschonden. Zij hebben door bepaalde vragen op het formulier onderzoek woonsituatie uit 2013 met ‘nee’ te beantwoorden een situatie geschetst die afwijkt van de werkelijkheid. Verzoekers maakten immers samen gebruik van de woningen in Duitsland en in Nederland. Zij hebben op zitting ook erkend dat zij in ieder geval vanaf 2019 samenleven. Met bestreden besluiten 3 en 4 heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoekers de inlichtingenplicht hebben geschonden. De Svb heeft daarbij echter in strijd met het eigen beleid onvoldoende kenbaar het eigen handelen meegewogen. Nu de Svb de betaling van de pensioenen al gedurende het onderzoek had aangepast, zijn de besluiten op dit punt niet genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Daarbij is ook van belang dat de herziening en de terugvordering door de trage besluitvorming aanzienlijk is verminderd, omdat de Svb de AOW-pensioenen heeft herzien met vijf jaar terugwerkende kracht vanaf de laatste beslissing van 12 januari 2024. Verzoekers hebben tot slot op geen enkele wijze onderbouwd aannemelijk gemaakt dat zij de terugvordering niet kunnen betalen.

Invorderingsbesluit

3.1.

De Svb heeft met het invorderingsbesluit van 23 september 2025 vastgesteld dat verzoekster € 193,50 per maand moet aflossen op de terugvordering. Dit bedrag wordt vanaf oktober 2025 iedere maand op haar AOW-pensioen ingehouden.

3.2.

Bij brief van 13 oktober 2025 heeft de Svb bericht dat de invordering van de schuld bij verzoekers zal worden opgeschort totdat uitspraak is gedaan op het hoger beroep van verzoekers.

Het standpunt van verzoekers

4. Verzoekers zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Verzoekers hebben aangevoerd dat hen onrecht is aangedaan, omdat zij naar eer en geweten hebben gehandeld op advies van hun accountant. De Belastingdienst heeft naar aanleiding van aangiften inkomstenbelasting een grondig onderzoek ingesteld naar de situatie van verzoekers en heeft hen als duurzaam gescheiden levend aangemerkt. Verzoekers menen dat de Svb de Belastingdienst hierin moet volgen. Verder hebben verzoekers aangevoerd dat zij de terugvordering niet kunnen betalen en is gevraagd om rekening te houden met de medische toestand van verzoekster en de zorg die verzoeker thuis aan haar verleent.

Het oordeel van de Raad

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Als tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang. Als de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het hoger beroep (de hoofdzaak), geeft de wet de mogelijkheid om ook onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich in deze zaak voor en ook verder zijn er geen redenen om niet onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

5.2.

De voorzieningenrechter beoordeelt de aangevallen uitspraak aan de hand van de argumenten van partijen. Verder beoordeelt de voorzieningenrechter het invorderingsbesluit. Dit is namelijk een bijkomende beschikking als bedoeld in artikel 4:125, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Ook slaagt het beroep tegen het invorderingsbesluit niet. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van de hoofdzaak

5.3.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat vanaf 1 januari 2019 geen sprake is van duurzaam gescheiden leven, nu verzoekers op zitting van de rechtbank hebben erkend dat zij in ieder geval vanaf die tijd samenleven. Het geschil in de hoofdzaak is beperkt tot de vraag of de Svb terecht het AOW-pensioen van verzoekers heeft herzien en de ten onrechte betaalde bedragen van hen heeft teruggevorderd.

5.4.

Verzoekers hebben zich in hoger beroep grotendeels beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van bestreden besluit 3 en 4. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verwijst daarnaar. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

5.5.

Verzoekers stellen, zo begrijpt de Raad, dat zij het formulier onderzoek woonsituatie van augustus 2013 op advies van hun accountant op deze wijze hebben ingevuld, om te kunnen voldoen aan de voorwaarden die de Belastingdienst hanteert ten aanzien van duurzaam gescheiden leven. Dit neemt echter niet weg dat verzoekers dat formulier niet naar waarheid hebben ingevuld. Verzoekers hebben onjuiste informatie aan de Svb verstrekt en hierdoor hun inlichtingenplicht geschonden. De Svb heeft terecht het gedeelte van zijn beleidsregel SB 1407 over verlaging van de uitkering over perioden in het verleden van toepassing geacht dat betrekking heeft op in gevallen van schending van de inlichtingenplicht. Dit betekent dat de Svb terecht de AOW-pensioenen van verzoekers heeft herzien met een terugwerkende kracht van vijf jaar en het als gevolg van die herziening ten onrechte betaalde bedrag van hen teruggevorderd.

Beoordeling van het invorderingsbesluit

5.6.

Verzoekers hebben aangevoerd dat zij het terug te vorderen bedrag niet kunnen terugbetalen en dat verzoekster door de inhouding op haar pensioen maandelijks geen geld meer overhoudt om van rond te komen. Vastgesteld wordt dat verzoekers voorafgaand aan het invorderingsbesluit niet hebben gereageerd op de verzoeken om informatie van de Svb om inzage te geven in hun financiële situatie. Ook in deze procedure hebben verzoekers hun stelling niet met stukken onderbouwd. De Raad zal het beroep tegen het invorderingsbesluit ongegrond verklaren.

5.7.

In dit verband wordt ten overvloede opgemerkt dat de Svb zich op zitting bereid heeft verklaard om in het kader van het op gang brengen van de aflossing in het eerste jaar akkoord te gaan met een terugbetaling van € 100,- per maand. Verder is de Svb bereid om in het kader van een aflossingsregeling daarna de gezondheidstoestand van verzoekster te betrekken, onder de voorwaarde dat verzoekers alsnog volledige inzage geven in hun financiële situatie, waaronder het persoonlijke en zakelijke eigen vermogen en de liquide middelen.

Conclusie en gevolgen

5.8.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat herziening en de terugvordering van de AOW-pensioenen van verzoekers in stand blijven. Het beroep tegen het besluit van 23 september 2025 wordt ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen verzoekers geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • verklaart het beroep tegen het besluit van 23 september 2025 ongegrond;

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) J.A. Adjei-Asamoah

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:93

1. Verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering geschiedt slechts voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien.

(..)]

Artikel 4:125

1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

(…)

Artikel 8:81

1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

(…)

Artikel 8:86

1. Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

(…)

Artikel 8:108

1. Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10, 8:41, tweede lid, en 8:74.

(…)

Algemene Ouderdomswet

Artikel 17a

1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van ouderdomspensioen, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15, tweede lid, of 49, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen;

b. indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 15, tweede lid, of 49, ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ouderdomspensioen bestaat.

2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 24

1. Het ouderdomspensioen dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank teruggevorderd van de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger, dan wel van de erfgenaam van de pensioengerechtigde voor zover het onverschuldigd betaalde in het vermogen van die erfgenaam is gevallen. (…)

5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. (…)

Artikel 49

De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, alsmede zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Beleidsregel SB1407

Dringende reden

De SVB herstelt een wijziging die gevolgen heeft voor betalingen die in het verleden zijn gedaan in beginsel met volledig terugwerkende kracht. Dit doet de SVB ook als er geen wijziging is opgetreden, maar bijvoorbeeld door een fout van de SVB de uitkering in het verleden verkeerd is vastgesteld. De SVB ziet geheel of gedeeltelijk af van verlaging of intrekking van de uitkering over het verleden, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Verlaging of intrekking over perioden in het verleden

Als de SVB een uitkering verlaagt of intrekt over een periode in het verleden, houdt de SVB rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Beleid

De SVB heeft beleid ontwikkeld voor 3 situaties die veel voorkomen:

1. Betrokkene heeft de mededelingsplicht geschonden. De uitkering wordt dan verlaagd of ingetrokken met een terugwerkende kracht van maximaal 5 jaar. Als betrokkene grove schuld heeft aan het niet nakomen van de mededelingsplicht, is de terugwerkende kracht maximaal 10 jaar. In geval van opzet is de terugwerkende kracht maximaal 20 jaar.

2. Door een fout van de SVB is een onjuist besluit genomen. De uitkering wordt dan zonder terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.

In geval van een ‘kenbaar evidente fout’ wordt de uitkering wel met een terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken. De mate van terugwerkende kracht is een percentage van de periode waarover de SVB te veel uitkering heeft betaald, namelijk:

- 25% en maximaal 5 jaar als betrokkene de fout uit eigen beweging meldt aan de SVB;

- 50% en maximaal 5 jaar als betrokkene heeft verzuimd de fout aan de SVB te melden;

- 75% en maximaal 10 jaar als betrokkene grove schuld heeft aan het niet melden van deze fout;

- 100% en maximaal 20 jaar als betrokkene met opzet de fout niet aan de SVB heeft gemeld.

Of sprake is van een ’kenbaar evidente fout’ beoordeelt de SVB aan de hand van de communicatie tussen de SVB en de individuele betrokkene. Daarnaast is van belang welk besluit betrokkene van de SVB mocht verwachten op grond van de door hem verstrekte informatie. De SVB verwacht wel van betrokkene dat hij de brieven van de SVB zorgvuldig leest, maar niet dat hij de inhoud van de brieven controleert aan de hand van de wet- en regelgeving, de beleidsregels en de website van de SVB.

3. Betrokkene ontvangt met terugwerkende kracht een nabetaling van een andere instantie. In dat geval wordt de uitkering met dezelfde terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.

Evenredigheidstoets

Ook ziet de SVB geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de SVB belang aan:

- de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt; en

- de mate waarin de SVB een verwijt kan worden gemaakt.

Algemene Ouderdomswet. Zie artikel 8:104, eerste lid, van de Awb en 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb. Zie artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.