Socialezekerheidsrecht
De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Centrale Raad van Beroep, 15 april 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:427 · Centrale Raad van Beroep · 15 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-427
Zaakgegevens
Op 15 april 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 april 2026
- Datum publicatie
- 15 april 2026
- Zaaknummer
- 25/2430 WMO15
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:427
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Uitspraak
25/2430 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/2430 WMO15
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
11 september 2025, 23/3670
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)
Datum uitspraak: 15 april 2026
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
OVERWEGINGEN
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief 27 januari 2026 is appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 27 februari 2026 is aan appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
De aangetekende brief is op 20 maart 2026 retour gekomen bij de Raad. Bij brief van
23 maart 2026 is deze opnieuw aan appellante verzonden. Daarbij is erop gewezen dat met de nieuwe toezending geen nieuwe termijn is gaan lopen.
De Raad heeft geen gronden van het beroep ontvangen. Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.