Socialezekerheidsrecht
Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 maart 2022 van 35 tot…
Centrale Raad van Beroep, 8 april 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:428 · Centrale Raad van Beroep · 8 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-428
Zaakgegevens
Op 8 april 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 april 2026
- Datum publicatie
- 15 april 2026
- Zaaknummer
- 23/2530 WAO
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:428
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 maart 2022 van 35 tot 45%. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn passend voor appellant.
Uitspraak
23/2530 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 juni 2023, 22/4052 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 april 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 maart 2022 heeft vastgesteld op 35 tot 45%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft drs. W. Parsowa hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij uitspraak van 20 juni 2024 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, wegens een niet verschoonbaar geachte overschrijding van de termijn van het hoger beroepschrift.
Appellant heeft hiertegen verzet aangetekend.
Bij uitspraak van 14 mei 2025 heeft de Raad het verzet gegrond verklaard, de uitspraak van 20 juni 2024 als vervallen verklaard en bepaald dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Bij brief van 2 juli 2025 heeft mr. I. de Vink zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Vink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft vanaf 1999 uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, in 2008 herzien naar de klasse 25 tot 35%. In verband met inkomsten uit arbeid werd de uitkering met ingang van 1 maart 2017 met toepassing van artikel 44 van de WAO niet uitbetaald. Op 1 december 2017 heeft appellant zich ziekgemeld met klachten als gevolg van een ongeval. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode heeft het Uwv appellant met ingang van 24 november 2019 een voorschot op een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Een onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 januari 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk en vervolgens voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35,96%. Het Uwv heeft bij besluit van 3 februari 2022 de WAO-uitkering met ingang van 1 maart 2022 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De voorschotten die voor 1 maart 2022 aan appellant betaalbaar zijn gesteld heeft het Uwv niet teruggevorderd.
Bij besluit van 4 juli 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft het onderzoek door het Uwv zorgvuldig geacht en ook inhoudelijk de beoordeling onderschreven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv rekening heeft gehouden met de klachten van PTSS, met diverse traumata, een alcoholverslaving, een pen in het been door een motorongeval en lage rugklachten. Het Uwv heeft kennisgenomen van de informatie van de behandelend psycholoog en terecht geoordeeld dat een situatie van Geen Benutbare Mogelijkheden niet aan de orde is. De omstandigheid dat appellant geen vaste woon- en verblijfplaats heeft is volgens de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank acht begrijpelijk dat die situatie een negatieve invloed heeft op het welbevinden van appellant, maar dit wordt niet meegenomen in de beoordeling of iemand arbeidsongeschikt is, omdat dit geen objectief medisch vast te stellen ziekte of gebrek is waarmee bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening gehouden moet worden.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft zijn standpunt herhaald dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn beperkingen. Appellant heeft te kampen met PTSS door een ernstige mishandeling op het werk. Daardoor heeft appellant last van angst, depressie, nachtmerries en flashbacks. Behandeling van zijn klachten heeft nog weinig opgeleverd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 35 tot 45% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 18 van de WAO bestaat recht op een WAO-uitkering als een betrokkene ten minste 15% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Daar wordt het volgende aan toegevoegd.
Appellant heeft voor het eerst op de zitting bij de Raad aangevoerd dat de geduide functies ten onrechte als passende functies zijn aangemerkt, gezien het opleidingsniveau en de krachten en bekwaamheden van appellant. De Raad overweegt dat appellant dit (veel) eerder had kunnen aanvoeren, zodat wordt geoordeeld dat deze beroepsgrond tardief is aangevoerd. De beginselen van een goede procesorde verzetten zich tegen de beoordeling daarvan, zodat deze grond onbesproken blijft.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening van de WAO-uitkering per 1 maart 2022 naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) S.P.A. Elzer