Socialezekerheidsrecht

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald en het beroepschrift is…

Centrale Raad van Beroep, 8 juli 2026

Zaakgegevens

Op 8 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
8 juli 2026
Datum publicatie
9 juli 2026
Zaaknummer
26/257 AOW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:912
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald en het beroepschrift is niet binnen de termijn ingediend.

Uitspraak

26/257 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
24 november 2025, 25/2313 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 8 juli 2026

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Bij brief van 17 februari 2026 is appellante erop gewezen dat een griffierecht van € 147,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven. Daarbij is appellante gewezen op de mogelijkheid om binnen die termijn om vrijstelling van griffierecht te vragen. Dat heeft zij niet gedaan.

Bij aangetekende brief van 20 maart 2026 is appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.

Ook deze termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald.

Voorts is in artikel 6:7 van de Awb bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van de Awb. Uit artikel 6:24 van de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.

Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als die overschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling of hiervan sprake is worden alle omstandigheden van het geval in hun samenhang bezien.

Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.

De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 24 november 2025 in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 25 november 2025 en is geëindigd op 6 januari 2026.

Het beroepschrift is op 4 februari 2026 ontvangen, nadat het op 23 januari 2026 ter post was bezorgd. Het is dus na afloop van de beroepstermijn ingediend.

Bij brief van 10 maart 2026 is aan appellante gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.

Appellante heeft daarop bij brief van 9 april 2026, ingekomen op 23 april 2026, geantwoord dat zij de aangevallen uitspraak pas laat heeft ontvangen, en dat zij daarom te laat hoger beroep heeft ingesteld.

Appellante heeft daarmee geen bijzondere omstandigheid aangevoerd die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Uit de stukken is niet gebleken dat de uitspraak op onjuiste wijze is verzonden. Dat betekent dat de beroepstermijn is gaan lopen zoals hiervoor is overwogen Het moment van ontvangst van de uitspraak heeft appellante niet duidelijk gemaakt. Uit het dossier blijkt niet van zodanige problemen met de postbezorging tussen Nederland en de woonplaats van appellante dat de overschrijding van de beroepstermijn daarmee kan worden verklaard.

Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor de genoemde verzuimen. Het hoger beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van
A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) A. Giesen

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale) déclare le recours interjeté non-recevable

Par conséquent, décidée par le maître M.A.H. van Dalen-van Bekkum en présence de
A. Giesen en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 8 juillet 2026.

(signé) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(signé) A. Giesen

Les intéressés et les organes d'administration auront le droit à présenter une opposition écrite contre la présente décision, dans les six semaines suivantes à la notification de la copie, à la Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale), Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. L'intéressé présentant l'opposition pourra demander d'avoir l'opportunité d'être entendu sur son opposition.