Socialezekerheidsrecht
Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft haar bezwaarschriften te laat ingediend…
Centrale Raad van Beroep, 8 juli 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:923 · Centrale Raad van Beroep · 8 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-923
Zaakgegevens
Op 8 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Datum publicatie
- 15 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/1324 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:923
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft haar bezwaarschriften te laat ingediend. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is gebleken van een medische reden waardoor appellante niet eerder bezwaar kon maken. Geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Uitspraak
25/1324 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 juni 2025, 25/581 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv het bezwaar van appellante terecht nietontvankelijk heeft verklaard, omdat zij het te laat heeft gemaakt. Appellante vindt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en het Uwv haar bezwaarschrift daarom inhoudelijk had moeten behandelen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.J.T. Hoksbergen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 mei 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hoksbergen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het Uwv heeft bij besluit van 22 mei 2024 (besluit 1) de uitkering die appellante op grond van de Ziektewet (ZW) ontving met ingang van 21 mei 2024 beëindigd. Daarnaast heeft het Uwv bij besluit van 1 juli 2024 (besluit 2) de over de periode van 27 november 2023 tot en met 20 mei 2024 onverschuldigd betaalde uitkering ter hoogte van € 1.620,17 bruto van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 17 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen besluit 1 en 2 door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante te laat bezwaar heeft gemaakt. De bezwaartermijn liep in haar geval tot en met 5 juni 2024. Daarnaast was appellante met een voicemailbericht al op de hoogte gebracht van de beëindiging. Het Uwv ontving het digitale bezwaarschrift van appellante op 10 oktober 2024. Dit is dus te laat. Volgens de rechtbank heeft het Uwv de termijnoverschrijding terecht niet verschoonbaar geacht. De termijnoverschrijding bedraagt meer dan vier maanden en uit de omstandigheden blijkt niet dat appellante niet in staat was om tijdig bezwaar te maken. Zoals appellante desgevraagd ter zitting ook heeft verklaard, heeft zij er destijds voor gekozen om pas bezwaar te maken als zij bevallen was en zelf weer rust had gevonden. Hieruit heeft de rechtbank afgeleid dat het een welbewuste keuze is geweest. De keuze was weliswaar ingegeven door haar persoonlijke omstandigheden op dat moment, maar appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van zulke bijzondere omstandigheden, dat zij verhinderd was om eerder bezwaar te maken. Hierbij heeft de rechtbank ook betrokken dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet blijkt dat de medische situatie dusdanig was dat appellante niet tijdig bezwaar kon maken. De medische stukken die appellante heeft overgelegd, en die allemaal betrekking hebben op de periode na het verstrijken van de bezwaartermijn, maken dit tot slot niet anders. Dit betekent dat het Uwv het bezwaar van appellante terecht nietontvankelijk heeft verklaard.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Er is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Van mei tot en met augustus 2024 had appellante meerdere medische klachten en is zij bevallen van haar kind, waarbij zich complicaties hebben voorgedaan. Zij is pas vanaf oktober 2024 weer in staat geweest om bezwaar te maken. Het is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen bewuste keuze geweest om te wachten met het maken van bezwaar totdat zij is bevallen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.
In artikel 75k van de ZW is bepaald dat, in afwijking van artikel 6:7 van de Awb, de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in een geschil over het al dan niet bestaan of voortbestaan van ongeschiktheid tot werken twee weken bedraagt.
Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
In artikel 6:11 van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift, een niet-ontvankelijkverklaring daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Het Uwv heeft het bezwaarschrift van appellante op 10 oktober 2024 ontvangen. Appellante heeft daarin bezwaar gemaakt tegen zowel besluit 1 als tegen besluit 2. De bezwaartermijn van besluit 1 liep tot en met 5 juni 2024. De bezwaartermijn van besluit 2 liep tot en met 12 augustus 2024. Niet in geschil is dat beide bezwaren van appellante daarmee te laat zijn ingediend. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat zij niet eerder dan oktober 2024 in staat was om bezwaar te maken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is gebleken van een medische reden waardoor appellante niet eerder bezwaar kon maken. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat appellante een ziekmelding heeft gedaan per 21 juli 2024, dat sprake is van budgetbeheer en schuldhulpverlening en dat er in juli 2024 enkele malen contact is geweest met appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast verwezen naar het medisch rapport van 16 mei 2024, dat ten grondslag ligt aan besluit 1. Dit rapport bevat geen medische gegevens waaruit zou kunnen blijken dat er sprake is van een verlaagd bewustzijn, dan wel een ernstig psychiatrisch ziektebeeld met een symptomencomplex van niet tijdig en niet doelmatig kunnen handelen, zoals kan voorkomen bij psychotische stoornissen. De verzekeringsarts heeft daarmee geconcludeerd dat er geen medische onderbouwing is voor de stelling dat appellante niet tijdig bezwaar kon maken dan wel hulp heeft kunnen vragen aan derden om bezwaar te kunnen maken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan hierin worden gevolgd. Dat appellante gezien haar persoonlijke omstandigheden geen ruimte heeft ervaren voor het tijdig maken van bezwaar is invoelbaar, maar dit neemt niet weg dat niet kan worden geconcludeerd dat zij hier medisch gezien niet toe in staat was. De vraag of het te laat indienen van het bezwaarschrift een keuze is geweest, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, kan daarom in het midden blijven.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Semiz