Socialezekerheidsrecht

Judiciële lus. Afwijzing aanvraag. Onduidelijke financiële situatie. Schadevergoeding redelijke termijn. Het…

Zaakgegevens

Op 14 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14 juli 2026
Datum publicatie
15 juli 2026
Zaaknummer
23/2433 PW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:931
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Judiciële lus. Afwijzing aanvraag. Onduidelijke financiële situatie. Schadevergoeding redelijke termijn.

Het college heeft op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan ECLI:NL:CRVB:2023:216 en zich terecht op het standpunt gesteld dat de door appellante overgelegde gegevens nog steeds onvoldoende inzicht in haar financiële situatie geven om te kunnen vaststellen dat zij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Met de aanvullende gegevens en de daarbij gegeven toelichting is nog steeds geen duidelijkheid gegeven, ook niet in grote lijnen, over de omvang en de aard van de giften, de frequentie waarmee appellante deze zou hebben ontvangen en het uitgavenpatroon van appellante. Er is daarom geen reden voor het oordeel dat het college de aanvraag van 9 februari 2018 had moeten toewijzen.

Uitspraak

Inhoudsopgave

23/2433 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van ‘s-Hertogenbosch van 31 juli 2023 (bestreden besluit)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 14 juli 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de vraag of het college op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad van 24 januari 2023. De Raad komt tot het oordeel dat dit het geval is. Het college heeft in het kader van de aanvraag om bijstand van appellante van 9 februari 2018 nader onderzoek gedaan naar de bron van de middelen van appellante, de omvang van de financiële hulp die appellante stelde te hebben gehad van haar familie en haar uitgavenpatroon. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door appellante overgelegde gegevens nog steeds niet toereikend waren om de resterende onduidelijkheden over haar financiële situatie op te helderen. De afwijzing van de aanvraag blijft in stand. Appellante krijgt verder een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Met een besluit van 9 mei 2018 heeft het college de door appellante op 9 februari 2018 ingediende aanvraag om bijstand afgewezen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit op bezwaar van 8 mei 2019 bij de afwijzing gebleven.

Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank Oost-Brabant heeft in de uitspraak van 25 maart 2021, met bepalingen over vergoeding proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op het verzoek van appellante tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Appellante was het met die uitspraak niet eens en heeft daartegen hoger beroep ingesteld voor zover de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard.

De Raad heeft hierop beslist in een uitspraak van 24 januari 2023. In deze uitspraak heeft de Raad de uitspraak van 25 maart 2021 vernietigd voor zover aangevochten, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 8 mei 2019 vernietigd voor zover het de afwijzing van de aanvraag om bijstand van 9 februari 2018 betreft. De Raad heeft het college opgedragen om in zoverre met inachtneming van zijn uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Met het bestreden besluit heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Namens appellante heeft mr. L.L. Ross, advocaat, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft ook verzocht om een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in verband waarmee de Staat als partij is aangemerkt.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juni 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ross. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Raja.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de in het procesverloop vermelde uitspraak van 24 januari 2023. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1

Appellante ontving, samen met haar partner X, tot 1 april 2012 bijstand naar de norm voor gehuwden. Het recht is met ingang van 1 april 2012 ingetrokken wegens schending van de inlichtingenverplichting. Appellante en X hebben vervolgens tweemaal gezamenlijk bijstand aangevraagd. Het college heeft beide aanvragen afgewezen.

1.2.

Appellante heeft op 16 juni 2015, 23 mei 2016, 6 januari 2017 en 9 februari 2018 aanvragen om bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder ingediend. Het college heeft alle vier de aanvragen afgewezen bij besluiten van, achtereenvolgens, 2 oktober 2015, 19 juli 2016, 20 februari 2017 en 9 mei 2018. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante geen duidelijkheid heeft verschaft over haar financiële situatie als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. De stelling dat appellante heeft geleefd van giften van familie is niet met deugdelijke en controleerbare gegevens onderbouwd. De drie eerstgenoemde afwijzingsbesluiten zijn tot en met de uitspraak van de Raad van 24 januari 2023 in stand gebleven.

1.3.

In de uitspraak van 24 januari 2023 is met betrekking tot de aanvraag om bijstand van 9 februari 2018, samengevat, als volgt overwogen. De rechterlijke beoordeling in hoger beroep is beperkt tot de vraag of het college de aanvraag terecht heeft afgewezen op de grond dat appellante onvoldoende, met deugdelijke en verifieerbare gegevens, aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Appellante heeft verklaard dat zij in de afgelopen tijd in haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien door onder andere toeslagen van de belastingdienst, kindgebonden budget, kinderbijslag en contant geld van haar twee meerderjarige dochters A en B en wijlen haar schoonmoeder O. Appellante heeft kopieën verstrekt van haar bankafschriften over de periode van december 2017 tot en met februari 2018 en bewijzen van schulden, salaris- en uitkeringsspecificaties van A en B en bankafschriften van wijlen O. Ook heeft zij verklaringen van A, B en van K overgelegd waarin onder meer wordt verklaard dat appellante financieel, met contant geld, wordt dan wel werd geholpen door A en B en wijlen O om rekeningen te betalen en eten te kopen. Appellante heeft hiermee in het kader van haar aanvraag van 9 februari 2018 meer gegevens verstrekt dan bij haar eerdere drie aanvragen om bijstand, te weten verklaringen over de financiële hulp die zij van haar dochters stelt te hebben ontvangen en ook heeft zij voor het eerst gemeld dat zij schulden heeft opgebouwd. De door appellante overgelegde gegevens geven naar het oordeel van de Raad onvoldoende inzicht in haar financiële situatie om te kunnen vaststellen dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Zo waren de overgelegde verklaringen over de giften achteraf opgesteld en niet met controleerbare gegevens onderbouwd en was ook niet duidelijk wat de omvang was van de gestelde giften. De besluitvorming berust echter op een onzorgvuldig onderzoek. Het college had in de door appellante bij deze aanvraag verstrekte verklaringen en gegevens aanleiding moeten zien om nader onderzoek te doen naar de bron van haar middelen, naar de omvang van de financiële hulp die appellante stelde te hebben gehad van haar familie en naar haar uitgavenpatroon. Verder had het college er niet zonder meer aan voorbij mogen zien dat appellante vanaf de intrekking van de bijstand met ingang van 1 april 2012 tweemaal tezamen met X en viermaal alleen een aanvraag om bijstand had ingediend. In de gegeven omstandigheden had het dus op de weg van het college gelegen nader onderzoek te doen naar de financiële omstandigheden van appellante. Uit een oogpunt van zorgvuldige besluitvorming moest het college verder appellante informeren over het feit dat de door haar overgelegde gegevens niet toereikend waren om het recht op bijstand vast te stellen en, mede gelet op de voorgeschiedenis, appellante in de gelegenheid stellen om te trachten resterende onduidelijkheden over haar financiële situatie op te helderen.

Bestreden besluit

2. Het college heeft ter uitvoering van de uitspraak van de Raad het bestreden besluit genomen. Daarbij heeft het college het tegen het besluit van 9 mei 2018 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante nog steeds geen duidelijkheid heeft verschaft over haar financiële situatie als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het niet eens met het bestreden besluit. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of het college op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad van 24 januari 2023. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Het college heeft op juiste wijze uitvoering gegeven aan de uitspraak van 24 januari 2023. Ook heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar financiële situatie om haar recht op bijstand in de te beoordelen periode te kunnen vaststellen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot het oordeel over het beroep komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 29 januari 2018 (datum melding) tot en met 9 mei 2018 (datum afwijzing aanvraag).

Op juiste wijze uitvoering gegeven aan de uitspraak van 24 januari 2023

4.2.1.

Het is vaste rechtspraak dat bij een besluit dat genomen is ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak, beoordeeld moet worden of het bestuursorgaan op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan die uitspraak.

4.2.2.

Het college heeft appellante met de brief van 13 april 2023 verzocht om alle bankafschriften (waaronder afschriften met betrekking tot creditcards, PayPal accounts of cryptovaluta) over de maanden augustus 2017 tot en met november 2017 en maart 2018 tot en met 9 mei 2018 toe te zenden. Verder heeft het college appellante verzocht om deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken te verstrekken over de hulp in natura (zoals eten, boodschappen, verzorgingsproducten) dan wel in de vorm van contant geld die appellante heeft ontvangen. In dat kader heeft het college appellante gevraagd om de door haar al overgelegde verklaringen te verduidelijken en met deugdelijke, verifieerbare bewijsstukken te ondersteunen. Uit de verklaringen en bewijsstukken moet blijken van wie appellante wanneer wat heeft ontvangen. Hetzelfde geldt voor de door anderen voor appellante betaalde rekeningen. Appellante dient in dit verband duidelijkheid te bieden over de periode van 20 februari 2017 tot en met 9 mei 2018. Het college heeft verder in voornoemde brief toegelicht wat onder deugdelijk en verifieerbare bewijsstukken wordt verstaan. Het college heeft tot slot appellante gevraagd om een overzicht op te stellen van haar uitgaven van appellante in voornoemde periode en uitleg te geven over haar ANWB-lidmaatschap.

4.2.3.

Appellante heeft op 20 juni 2023 in aanvulling op de reeds in 1.3 genoemde gegevens en haar schriftelijke verklaring en financiële overzicht van 11 april 2018 de volgende gegevens overgelegd: bankafschriften van de jongerenrekening van haar destijds minderjarige dochter C, een brief van de gemeente van 31 juni 2017 over een betalingsregeling gemeentelijke belastingaanslagen, een voorschotnota water van 31 augustus 2017, een VGZ rekening van 17 februari 2018, een Essent rekening van 12 maart 2018 en een Ziggo rekening van 28 maart 2018. Verder heeft appellante uitleg gegeven over de reden van haar ANWB-lidmaatschap.

4.2.4.

Uit het vorenstaande volgt dat het college nader onderzoek heeft gedaan naar de in de uitspraak van 24 januari 2023 genoemde punten en appellante heeft geïnformeerd over de aanvullende gegevens die nodig waren om de financiële situatie van appellante inzichtelijk te maken. Aansluitend moet worden bezien of de beschikbare gegevens voldoende inzicht geven in hoe appellante in de periode voor haar aanvraag in haar levensonderhoud heeft voorzien.

Financiële situatie onvoldoende inzichtelijk

4.3.1.

Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.

4.3.2.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat uit de door haar verstrekte gegevens en toelichting voldoende blijkt dat zij in de van belang zijnde periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.

4.3.3.

In rechtsoverweging 4.8.1 van de uitspraak van 24 januari 2023 is overwogen dat en waarom de op dat moment door appellante overgelegde gegevens onvoldoende inzicht in haar financiële situatie geven. Met de aanvullende gegevens en de daarbij gegeven toelichting is nog steeds geen duidelijkheid gegeven, ook niet in grote lijnen, over de omvang en de aard van de giften, de frequentie waarmee appellante deze zou hebben ontvangen en het uitgavenpatroon van appellante. De overgelegde verklaringen zijn dezelfde die appellante al had verstrekt en zijn in dat opzicht niet nader aangevuld. Appellante heeft niet het verzochte overzicht verstrekt waaruit haar globale uitgavenpatroon in de relevante periode inzichtelijk wordt. Ook heeft appellante geen controleerbare gegevens ingebracht die de juistheid van de door haar ingediende gegevens en haar stellingen onderbouwen. Zij heeft aangevoerd dat door tijdsverloop niet meer na te gaan is welke bedragen appellante op welke momenten ontving en van wie, en wat haar dagelijkse uitgaven waren. Van appellante mocht echter in de gegeven omstandigheden worden verwacht dat zij een weliswaar ruwe maar wel meer concrete beschrijving gaf van de wijze waarop zij met de beschikbare middelen kon rondkomen. Het was appellante duidelijk dat het door haar verstrekte overzicht van 11 april 2018 daarvoor onvoldoende was. De opnames in contanten op de bankafschriften van C geven geen inzicht in de bestemming daarvan. Appellante heeft haar algemene stelling dat die opnames door haar zijn ontvangen en aangewend voor haar levensonderhoud niet verder onderbouwd met controleerbare gegevens of meer concrete verklaringen. De enkele verklaring dat C zelf haar uitgaven via pinbetalingen deed, is daarvoor onvoldoende.

4.4.

Uit 4.2.2 tot en met 4.3.3 volgt dat het college op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad van 24 januari 2023 en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door appellante overgelegde gegevens nog steeds onvoldoende inzicht in haar financiële situatie geven om te kunnen vaststellen dat zij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Er is daarom geen reden voor het oordeel dat het college de aanvraag van 9 februari 2018 had moeten toewijzen.

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

4.5.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

4.6.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

4.7.

In een geval als dit, waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat. Bij de beoordeling of de rechterlijke fase in de eerste ronde al dan niet te lang heeft geduurd wordt uitgegaan van een behandelingsduur van drie en een half jaar voor de rechtbank en de Raad tezamen. Bij de beoordeling of de Raad er al dan niet te lang over heeft gedaan in de fase van beroep tegen de nieuwe beslissing op het bezwaar geldt de voor beroep gangbare normatieve termijn van anderhalf jaar.

4.8.

Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 19 juni 2018 tot de datum van de uitspraak, op 14 juli 2026, is een periode van acht jaar en ongeveer een maand verstreken. In dit geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer vier jaar en een maand is overschreden (afgerond 49 maanden). Dit leidt tot een aan appellante te betalen schadevergoeding van € 4.500,-.

4.9.

Vervolgens moet worden bezien aan wie de overschrijding moet worden toegerekend.

4.9.1.

De rechterlijke fase in de eerste ronde is aangevangen met de ontvangst van het beroepschrift op 14 juni 2019 en is geëindigd met de uitspraak van de Raad op 24 januari 2023 en heeft daarmee drie jaar en (afgerond) zeven maanden geduurd. De norm van drie en een half jaar is dus overschreden met één maand.

4.9.2.

De rechterlijke fase in de tweede ronde is aangevangen met de ontvangst van het beroepschrift op 17 augustus 2023, en heeft daarmee (tot de uitspraak van de Raad op 14 juli 2026) twee jaar en (afgerond) elf maanden geduurd. Daarmee is de norm van anderhalf jaar overschreden met zeventien maanden. De totale overschrijding in de rechterlijke fase is dus achttien maanden.

4.9.3.

Op grond van vorenstaande uitgangspunten zal de Staat der Nederlanden moeten worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.653,- (18/49 van € 4.500,-) en het college tot vergoeding tot een bedrag van € 2.847,- (31/49 van € 4.500,-).

4.9.4.

Bij uitspraak van 25 maart 2021 heeft de rechtbank in de eerste ronde van deze procedure al een bedrag aan schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn toegekend van € 500,- ten laste van het college en € 500,- ten laste van de Staat. De toerekening van de aanvullende vergoeding van schade in beroep wordt beperkt tot wat na deze uitspraak is gebeurd. Het college zal daarom worden veroordeeld tot een aanvullende schadevergoeding van € 2.347,- en de Staat tot een bedrag van € 1.153,-.

Conclusie en gevolgen

4.10.

Uit 4.2.1 tot en met 4.4 volgt dat het beroep niet slaagt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Uit 4.5 tot en met 4.9.4 volgt verder dat het verzoek tot vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.

Proceskosten

5. Wat onder 4.9.3 en 4.9.4 over de overschrijding van de redelijke termijn is overwogen, geeft aanleiding het college en de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante die samenhangen met het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het verzoek, waarde per punt € 934,-, met wegingsfactor 0,5). Omdat de overschrijding aan zowel het college als aan de Staat wordt toegerekend, worden zij ieder voor de helft (€ 233,50) veroordeeld in deze kosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • verklaart het beroep tegen het besluit van 31 juli 2023 ongegrond;

  • veroordeelt het college tot betaling van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.347,-;

  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.153,-;

  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50;

  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en C. Karman en R.W.L. Koopmans als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.T. Dannenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 6, eerste lid

Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

Algemene wet Bestuursrecht

Artikel 4:2, tweede lid

De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Participatiewet

Artikel 11, eerste lid

Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

ECLI:CRVB:2023:216. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 mei 2023, ECLI:CRVB:2023:974. Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3121. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2025, ECLI:Nl:CRVB:2025:902.