Socialezekerheidsrecht

Afwijzing aanvraag individuele inkomenstoeslag. Inkomen boven 110% van de norm. Appellant had in de hier van…

Centrale Raad van Beroep, 14 juli 2026

Zaakgegevens

Op 14 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14 juli 2026
Datum publicatie
16 juli 2026
Zaaknummer
25/1340 PW-PV
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:942
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing aanvraag individuele inkomenstoeslag. Inkomen boven 110% van de norm. Appellant had in de hier van belang zijnde referteperiode van drie jaar een inkomen dat hoger was dan 110% van de voor hem geldende norm. Dit was te hoog om in aanmerking te komen voor de inkomenstoeslag.

Uitspraak

25 1340 PW-PV

Datum uitspraak: 14 juli 2026

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 mei 2025, 24/6408 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek (college)

Zitting heeft: P.W. van Straalen

Griffier: S.A.M. Schilder

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I.A.C. Cools, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.L.A.M. Bloks en mr. E. de Fretes.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag. Het college heeft die aanvraag afgewezen omdat appellant in de hier van belang zijnde referteperiode van drie jaar in de periode van juni 2021 tot en met mei 2022 een inkomen had dat hoger was dan 110% van de voor hem geldende norm.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn inkomsten in de periode juni 2021 tot en met mei 2022, van in totaal € 14.353,38, niet boven 110% van de geldende norm uitkwamen.

Uitgaande van een norm van € 1.091,71 (x 110% x 12 maanden) komt appellant uit op een bedrag van € 14.401,-. De inkomsten van appellant waren lager.

Deze grond slaagt niet. De door appellant gehanteerde norm is een bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. De niet in geschil zijnde inkomsten zijn netto inkomsten exclusief vakantietoeslag. Het college is van de inkomsten exclusief vakantietoeslag uitgegaan omdat dit voor appellant gunstiger is. Dat dit het geval is, heeft appellant niet betwist. Omdat de inkomsten exclusief vakantietoeslag worden genomen, moeten deze worden afgezet tegen de bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag.

De door appellant gehanteerde norm is de per januari 2022 van toepassing zijnde norm. Daarvóór waren andere normen van toepassing. Voor de hier van belang zijnde periode waren dat de volgende normen, waarbij bedragen exclusief vakantietoeslag worden genoemd.

Juni 2021: € 1.021,67

Juli 2021 tot en met december 2021: € 1.024,76

Januari tot en met juni 2022: € 1.037,12

Gerekend over de periode van juni 2021 tot en met mei 2022 komt de in de Verordening individuele inkomsenstoeslag 2017 neergelegde inkomensgrens in dit geval neer op een bedrag van € 13.591,41 (€ 1.021,67 + zes maal € 1.024,76 + vijf maal € 1.037,12 = € 12.355,83 x 110% = € 13.591,41). De inkomsten van appellant tot het bedrag van € 14.353,38 lagen daarboven en waren daarmee te hoog om in aanmerking te komen voor de inkomenstoeslag.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.

Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant ook geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) S.A.M. Schilder (getekend) P.W. van Straalen