Socialezekerheidsrecht
Weigering verzoek om terug te komen van het besluit van 9 augustus 2013 tot weigering Wajonguitkering toe te…
ECLI:NL:CRVB:2026:959 · Centrale Raad van Beroep · 15 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-959
Zaakgegevens
Op 15 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Datum publicatie
- 22 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/1287 WAJONG
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:959
Samenvatting
Weigering verzoek om terug te komen van het besluit van 9 augustus 2013 tot weigering Wajonguitkering toe te kennen. Laattijdige aanvraag. Geen feitelijk informatie voor toegenomen klachten tijdens of binnen zes maanden na het einde van de studie van appellant. Nu tijdens of binnen zes maanden na het beëindigen van zijn studie op 25 mei 2008 geen beperkingen bij appellant kunnen worden vastgesteld, valt hij niet onder de doelgroep van studerenden en dat maakt dat er geen nieuwe vijfjaarstermijn is gaan lopen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
25/1287 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 mei 2025, 23/5310 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajonguitkering toe te kennen. Volgens appellant had het Uwv hem alsnog moeten aanmerken als jonggehandicapte tijdens studie en/of de vijf jaar daarna. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajonguitkering toe te kennen.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.G. Smouter, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Smouter. Het Uwv is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant is geboren op [geboortedatum] 1982. Met een op 23 juli 2013 door het Uwv ontvangen formulier heeft hij bij het Uwv een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010). Hierop is vermeld dat hij mentale (ADHD) en fysieke klachten heeft. Bij besluit van 9 augustus 2013 heeft het Uwv geweigerd een Wajonguitkering toe te kennen, omdat appellant na zijn achttiende verjaardag meer dan een jaar gewerkt heeft waarbij hij ten minste het minimumloon verdiend heeft. Het Uwv heeft dit besluit gebaseerd op een rapport van een arbeidsdeskundige van 6 augustus 2013. Appellant heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
Op 27 mei 2022 heeft appellant een aanvraag ‘Beoordeling arbeidsvermogen’ ingediend. Appellant heeft hierop vermeld last te ondervinden van clusterhoofdpijn en ADD. Het Uwv heeft de aanvraag onder meer opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 9 augustus 2013 en als een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid vanaf 2010. Het Uwv heeft de aanvraag bij besluit van 22 december 2022 afgewezen omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven terug te komen van het besluit van 9 augustus 2013. Voor zover appellant stelt dat hij sinds 2010 toegenomen arbeidsongeschikt is, valt dit buiten een voor de Wajong relevante periode.
Bij besluit van 23 juni 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 december 2022 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant met zijn aanvraag heeft verzocht om terug te komen van het besluit van 9 augustus 2013. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd dat de stukken die appellant ingebracht heeft geen nieuwe medische feiten of omstandigheden bevatten die betrekking hebben rond zijn achttiende verjaardag en aanleiding geven van het besluit van 9 augustus 2013 terug te komen. De weigering om van dat besluit terug te komen is evenmin evident onredelijk omdat het besluit niet onmiskenbaar onjuist is. Er was voor het Uwv daarom ook geen aanleiding om het besluit voor de toekomst te herzien. De verzekeringsartsen hebben ook inzichtelijk gemotiveerd dat tot een toename van beperkingen uit ADHD/ADD niet kan worden geconcludeerd.
De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat zij uit de rapporten van de verzekeringsartsen heeft opgemaakt dat de hoofdpijnklachten van appellant, waarvan appellant gesteld heeft dat deze zijn ingetreden tijdens zijn studieperiode, door de verzekeringsartsen zijn aangemerkt als een andere ziekteoorzaak dan de ADHD, die aanleiding vormde voor de Wajong-aanvraag in 2013. Naar het oordeel van de rechtbank had het Uwv bij de voorbereiding van het bestreden besluit moeten beoordelen of sprake is van hoofdpijnklachten en beperkingen tijdens of kort na de studie en of deze in de periode van vijf jaar erna zijn toegenomen. Nu het Uwv deze beoordeling niet heeft verricht is het onderzoek onzorgvuldig geweest en het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het besluit van 23 juni 2023 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a van de Awb in stand kunnen blijven.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 30 augustus 2023 gerapporteerd dat appellant tot en met 25 mei 2008 gestudeerd heeft en dat het aan feitelijke informatie ontbreekt dat appellant toen beperkingen had. Het anamnestisch gegeven dat appellant al langer last had van hoofpijn, wordt niet geobjectiveerd met informatie/consultatie van behandelaars (huisarts en medisch specialist). De eerste feitelijke informatie dateert van 2010, waarbij appellant vanaf 2009 medicatie neemt in verband met migraine. Eventueel aan hoofdpijn te relateren beperkingen speelden volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarom niet op de datum in geding. Er kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dus ook geen sprake zijn van een verslechtering binnen vijf jaar omdat daarvoor alleen sprake was van ADHD. De rechtbank heeft dit standpunt navolgbaar geacht. Nu niet aan de voorwaarde is voldaan dat vast is komen te staan dat appellant op grond van een (nieuwe) ziekteoorzaak tijdens of kort na studie beperkingen heeft, kan een beroep op de regeling toegenomen arbeidsongeschiktheid, of deze nu valt onder hoofdstuk 1A of hoofdstuk 2 van de Wajong, reeds om die reden niet slagen.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn is een schadevergoeding toegekend ten laste van de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten. Appellant stelt zich op het standpunt in voldoende mate te hebben onderbouwd dat hij uiterlijk op 25 november 2008 ernstige last had van hoofdpijn en zijn beperkingen binnen de vijf jaar erna zijn toegenomen, waardoor hij niet meer in staat is te werken. Volgens appellant dient daarom te worden aangenomen dat hij op grond van artikel 2:3, eerste lid, sub b en tweede lid van de Wajong tot de doelgroep van de Wajong behoort, dan wel op grond van artikel 1a:1, eerste lid, onder b van de Wajong 2015. Hoewel de diagnose clusterhoofdpijn in 2010 is gesteld, werkte de hoofdpijn tijdens zijn studie al invaliderend. Dit blijkt volgens appellant onder meer ook uit de verklaringen van zijn neuroloog, de omstandigheid dat hij vanaf 2009 medicatie krijgt voor zijn migraineklachten en hij zijn studie heeft moeten afbreken. Uit het samenstel van deze gegevens is volgens appellant af te leiden dat hij uiterlijk 25 november 2008 ernstig last had van hoofdpijn. Door de clusterhoofdpijn is hij niet in staat minstens vier uur of twee uur per dag belastbaar te zijn. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit over onder meer de geweigerde Wajonguitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
In geschil is of zich bij appellant na zijn achttiende jaar clusterhoofdpijn heeft geopenbaard, dat voor het eerst tijdens (of binnen zes maanden na afronden van de) studie, aldus uiterlijk op 25 november 2008, tot beperkingen heeft geleid. Voor de regeling van toegenomen arbeidsongeschiktheid zou daarmee de periode van 25 november 2008 tot 25 november 2013 relevant zijn.
Ter zitting is besproken dat bij een laattijdige aanvraag de bewijslast volgens vaste rechtspraak bij de aanvrager ligt. De Raad merkt in dit verband op dat niet onopgemerkt is gebleven dat appellant zich veel moeite heeft getroost om informatie te zoeken dat zijn standpunt zou kunnen onderbouwen dat hij tijdens of binnen zes maanden na het einde van zijn studie beperkingen had door hoofdpijn, die nadien zijn toegenomen. De door appellant ingebrachte (medische) stukken geven de Raad echter onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het aan feitelijke informatie ontbreekt dat appellant tijdens of binnen zes maanden na het einde van zijn studie beperkingen had vanwege hoofdpijn. De rechtbank heeft met juistheid verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep waarin is overwogen dat de anamnestische gegevens dat appellant al langer last had van hoofdpijn, niet worden geobjectiveerd met informatie/consultatie van behandelaars. De gedingstukken die concreet wijzen op hoofdpijn betreffen het huisartsjournaal met de vermelding van een consult op 8 juni 2010 in verband met hoofdpijn waarbij de diagnose clusterhoofdpijn is gesteld en de medicatie die appellant vanaf 2009 krijgt voor zijn migraineklachten. Deze stukken zien echter op de situatie na 2008. Ook de verwijzing naar een rapport van MEE van 10 juli 2013, waaruit volgt dat appellant zelf heeft gemeld al van jongs af aan hoofdpijnklachten te hebben, betreft geen objectieve informatie. De gestelde omstandigheid dat appellant zich in de periode dat hij werkzaam was voor [naam] B.V., regelmatig ziek heeft moeten melden in verband met hoofdpijn/pijn in zijn linkeroog, geeft ook onvoldoende aanleiding tot twijfel aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het ontbreekt immers aan gegevens over het ziekteverzuim van appellant bij [naam] B.V. Bovendien betreft het een periode van 2009 tot 2011. Nu tijdens of binnen zes maanden na het beëindigen van zijn studie op 25 mei 2008 geen beperkingen bij appellant kunnen worden vastgesteld, valt appellant niet onder de doelgroep van studerenden en dat maakt dat er geen nieuwe vijfjaarstermijn is gaan lopen.
Bij het ontbreken van twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv is er geen reden om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Het verzoek daartoe van appellant wordt daarom afgewezen.
Uit het voorgaande volgt dat appellant niet als jonggehandicapte is aan te merken. Het Uwv heeft daarom terecht geweigerd om aan appellant een Wajonguitkering toe te kennen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering om een Wajonguitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.