Socialezekerheidsrecht

Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Appellant is niet duurzaam arbeidsongeschikt.

Centrale Raad van Beroep, 29 juli 2026

Zaakgegevens

Op 29 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29 juli 2026
Datum publicatie
31 juli 2026
Zaaknummer
25/1494 Wajong
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:988
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Appellant is niet duurzaam arbeidsongeschikt.

Uitspraak

25/1494 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2025, 22/4002 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 29 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellant vindt dat hij op de dag dat hij achttien jaar is geworden duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikte en om die reden als jonggehandicapte had moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.W. van Bavel hoger beroep ingesteld. Bij brief van 3 augustus 2025 heeft mr. F. Reith, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Bij brief van 9 september 2025 heeft mr. Reith nadere gronden ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Reith. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1997, heeft met een door het Uwv op 6 september 2021 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellant een angststoornis en depressie heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellant weliswaar geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 2 februari 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajonguitkering toe te kennen.

1.2.

Bij besluit van 8 juli 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

1.3.

Appellant heeft beroep ingesteld. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en psychiater prof. dr. D.J. Veltman als deskundige benoemd. Veltman heeft op 30 september 2023 gerapporteerd. Nadat partijen op dit rapport hebben gereageerd, heeft de rechtbank verzekeringsarts L. Greveling-Fockens als deskundige benoemd. GrevelingFockens heeft op 29 mei 2024 gerapporteerd, waarna partijen op dit rapport hebben gereageerd.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

2.1.

Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat het oordeel van de door haar ingeschakelde onafhankelijke deskundigen wordt gevolgd. Beide deskundigen komen tot de conclusie dat met een adequate behandeling verbetering op (langere) termijn niet is uitgesloten. Daarmee is geen sprake van duurzaamheid in de zin van de Wet Wajong en wordt niet voldaan aan de vereisten voor toekenning van een Wajong-uitkering. De rechtbank heeft opgemerkt dat uit het dossier blijkt dat appellant veel last heeft van zijn klachten en dat deze hem ernstig belemmeren. Psychiater Veltman heeft geconcludeerd dat hij de kans op substantiële verbetering bij appellant klein acht, maar dat deze op termijn niet helemaal uitgesloten is. Verzekeringsarts Greveling-Fockens heeft geconcludeerd dat met een adequate behandeling verbetering in ieder geval niet uitgesloten kan worden.

2.2.

De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Nu de rechtbank twee deskundigen heeft ingeschakeld en dit voor appellant niet tot een andere uitkomst heeft geleid, is niet aannemelijk dat appellant door voormeld gebrek is benadeeld, zodat de rechtbank aanleiding heeft gezien dit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft tegen die uitspraak – kort gezegd – aangevoerd dat uitgesloten is dat hij voor het einde van de tienjaarstermijn dusdanig kon verbeteren dat alsnog arbeidsvermogen ontstaat. Uit de rapporten van Veltman kan niet worden afgeleid dat niet kan worden uitgesloten dat hij arbeidsvermogen kon ontwikkelen voor zijn 28e verjaardag. De zeer kleine kans op substantiële verbetering in combinatie met de verwachte behandelduur, maken dat gesteld moet worden dat het arbeidsvermogen van appellant reeds vanaf zijn achttiende verjaardag duurzaam ontbreekt.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering terug te komen van de eerdere weigering een Wajong-uitkering toe te kennen terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

5.1.

Om recht te hebben op een Wajong-uitkering moet een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

5.2.

Niet in geschil is dat appellant op [geboortedatum] 2015 en in de vijf jaar daarna geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) had, omdat hij voldoet aan de voorwaarde dat hij toen niet over basale werknemersvaardigheden beschikte. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.

5.3.

De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet WIA kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt, wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn.

5.4.

Met inachtneming van het vorenstaande kan de rechtbank worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat niet uitgesloten was dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bij appellant zich nog konden ontwikkelen. De enkele stelling van appellant dat de ontwikkeling van arbeidsvermogen voor zijn 28e verjaardag uitgesloten was, is onvoldoende om aan te nemen dat de rechtbank het oordeel van de deskundigen niet had mogen volgen. De door Veltman genoemde te verwachten lange duur van een behandeltraject, maakt evenmin dat had moeten worden geconcludeerd dat de ontwikkeling van arbeidsvermogen voor de 28e verjaardag van appellant uitgesloten was. Appellant heeft in hoger beroep geen medische stukken ingebracht die tot een ander oordeel leiden.

Conclusie en gevolgen

5.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering terug te komen van de eerdere weigering een Wajong-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) G.T. Hunsel

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong

Jonggehandicapte is de ingezetene die:

a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong

Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

Beoordelingskader uit Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’

“Stap 1 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.

Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:

* er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;

* de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen

De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong. Kamerstukken II 2011/12, 33161, nr. 3, onder 5.1. Artikel 4, derde lid, van de Wet WIA. Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong.