Socialezekerheidsrecht
Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Zorgvuldig medisch onderzoek. Appellant beschikt over…
Centrale Raad van Beroep, 29 juli 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:993 · Centrale Raad van Beroep · 29 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-993
Zaakgegevens
Op 29 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Datum publicatie
- 31 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/1374 Wajong
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:993
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Zorgvuldig medisch onderzoek. Appellant beschikt over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 juni 2025, 25/231 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 29 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellant vindt dat hij (duurzaam) niet over arbeidsvermogen beschikt en om die reden als jonggehandicapte had moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.J.T. Hoksbergen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 juni 2026. Appellant is verschenen, vergezeld van zijn begeleider en bijgestaan door mr. Hoksbergen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1998, heeft met een door het Uwv op 15 september 2023 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat hij een licht verstandelijke beperking, disharmonisch functioneringsprofiel en heupklachten heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellant arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 19 februari 2024 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
Bij besluit van 10 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 25 november 2024 inzichtelijk en navolgbaar heeft gemotiveerd dat appellant in staat moet worden geacht om ten minste vier uur per dag te werken. Daarbij is ook de verklaring van 14 juli 2023 van de orthopedagoog betrokken. Bij appellant is sprake van een zeer lichte verstandelijke beperking, astma en heupklachten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn er op basis van de aanwezige medische problematiek en op basis van het dagelijks functioneren geen argumenten om te kunnen stellen dat appellant niet minimaal vier uur per dag belastbaar is. Uit de arbeidsanamnese, het medische verhaal en het dagverhaal komen geen duidelijke aanknopingspunten naar voren waaruit aannemelijk wordt dat appellant minder dan vier uur per dag belastbaar is. Vanuit de verstandelijke beperking valt dit althans niet goed te onderbouwen, terwijl ook niet blijkt dat appellant na zijn huidige werkzaamheden een langdurige recuperatiebehoefte heeft. Uit het dagverhaal blijkt dat hij naast zijn werk nog diverse andere activiteiten onderneemt, waarmee hij in totaal zeker ruim vier uur actief is. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geen medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat zijn belastbaarheid niet juist is vastgesteld. Daar voegt de rechtbank nog aan toe dat het, bij beoordeling of iemand tenminste vier uur per dag belastbaar is, gaat om de vraag of iemand in totaal ten minste vier uur per dag belastbaar is. Daarnaast gaat het ook om belastbaarheid voor alle soorten werkzaamheden. Het is dus niet noodzakelijk om vier uur aaneengesloten belastbaar te zijn, zoals appellant met zijn eigen werkzaamheden als schoonmaker en vakkenvuller heeft geprobeerd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij geen arbeidsvermogen heeft omdat hij niet vier uur per dag kan werken. Appellant heeft (bij herhaling) geprobeerd om vier uur per dag te werken, maar dat is niet gelukt. Hij werkt nu 12,5 uur per week onder begeleiding en na het werk heeft hij contact met zijn begeleider om tot rust te komen. Daarna besteedt appellant tijd aan hobby's. Van belang is dat appellant begeleid woont, waarvoor door CIZ een VG06 is afgegeven. Daarnaast heeft appellant gewezen op de verklaring van orthopedagoog S. Rekers van 14 juli 2023 waarin onder meer staat dat appellant gelet op zijn beperkingen geen arbeidsvermogen zal ontwikkelen. Er is daarmee sprake van een duurzame situatie. Uit het dagverhaal, het medische verhaal en arbeidsanamnese kan geconcludeerd worden dat hij niet vier uur per dag kan werken. Ook heeft appellant aangevoerd dat hij voortdurend ondersteuning nodig heeft bij de uitvoering van taken en ook bij huishoudelijke activiteiten.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant per [geboortedatum] 2016 (de dag dat hij achttien jaar is geworden) arbeidsvermogen heeft. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of voldaan is aan de voorwaarde dat appellant niet ten minste vier uur per dag belastbaar is.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
Appellant en zijn begeleider hebben ter zitting uiteengezet dat appellant veel ondersteuning en aansturing nodig heeft en dat hij na het uitvoeren van zijn werkzaamheden en zijn huishoudelijke taken erg moe is. Dat appellant veel begeleiding nodig heeft, maakt echter niet zonder meer dat hij niet vier uur per dag belastbaar is zoals bedoeld in artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat uit de problematiek en het dagelijks functioneren van appellant niet volgt dat hij daardoor niet in staat zou zijn om vier uur per dag een taak uit te voeren. De Raad merkt verder op dat ook als de begeleidingsbehoefte dermate intensief is dat die alleen in een beschutte werkomgeving gerealiseerd zou kunnen worden, dit niet aan arbeidsvermogen in de zin van voormelde wettelijke bepaling in de weg hoeft te staan. Ook is niet gebleken dat er een medisch indicatie is voor een dusdanige recuperatiebehoefte dat deze qua omvang aan een belastbaarheid van vier uur per dag in de weg staat.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) G.T. Hunsel