Socialezekerheidsrecht
Beëindiging WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en…
Centrale Raad van Beroep, 22 juli 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:996 · Centrale Raad van Beroep · 22 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-996
Zaakgegevens
Op 22 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Datum publicatie
- 31 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/1476 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:996
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beëindiging WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies overschrijden de belastbaarheid van appellant niet.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1476 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juni 2025, 25/407 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellant per 11 september 2023 heeft beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. V.C.D. Klaassen, advocaat en kantoorgenoot van mr. Berkel en zijn begeleider. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaker voor 37,93 uur per week. Op 15 mei 2020 heeft appellant zich vanuit een werkloosheidssituatie ziekgemeld. Bij besluit van 10 juli 2023 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 13 mei 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80-100%.
Bij besluit van eveneens 10 juli 2023 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant met ingang van 11 september 2023 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Aan dit besluit liggen een rapport van een arts van het Uwv, een Functionele Mogelijkhedenlijst van 29 maart 2023, geldig vanaf 6 februari 2023, en een rapport van een arbeidsdeskundige ten grondslag.
Bij besluit van 5 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vooropgesteld dat het gaat om de medische toestand van appellant op 11 september 2023 en de vraag welke beperkingen daaruit volgen.
Appellant heeft gewezen op de aanwezigheid van het carpaal tunnelsyndroom (CTS), radiculpathie, twee nekhernia’s en het Thoracic Outlet Syndroom (TOS), als gevolg waarvan meer fysieke beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Volgens de rechtbank hebben de arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening gehouden met de klachten van appellant aan de handen/polsen, nek en rug door beperkingen aan te nemen ten aanzien van repetitieve handbewegingen en voorts dat appellant is aangewezen voor werkzaamheden die niet zwaar belastend zijn voor de nek en rug. Overbelasting van de handen/polsen, nek en rug wordt met de aangenomen beperkingen voldoende voorkomen. Voor verdergaande beperkingen zijn geen aanwijzingen. Uit de lichamelijke onderzoeken bij de arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn geen duidelijke afwijkingen naar voren gekomen. Na 2022 heeft appellant geen specialist meer bezocht en de huisarts heeft na een onderzoek in augustus 2023, dus kort voor de beoordelingsdatum, geen afwijkingen beschreven en alleen fysiotherapie geadviseerd voor de rugklachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toereikend gemotiveerd dat de in beroep overgelegde informatie van de vaatchirurg geen aanleiding geeft voor het aannemen van verdergaande beperkingen. Appellant heeft verder geen stukken overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan de conclusies van de artsen van het Uwv, zodat de rechtbank de overwegingen en daarop gebaseerde conclusies van de artsen van het Uwv heeft gevolgd.
Over de mentale klachten van appellant heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd waarom de gestelde beperkingen passend zijn bij de aard en ernst van de psychische problematiek van appellant. Op basis van eigen onderzoek en de medische stukken heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanwijzingen gezien voor een ernstige psychische stoornis, zoals een stemmings- of angststoornis waarbij verdergaande beperkingen aan de orde zouden kunnen zijn. Er zijn geen duidelijke afwijkingen waargenomen in bijvoorbeeld de stemming en het affect. Er is sprake van een laagfrequente, niet intensieve behandeling voor de psychische klachten. Zo is appellant in maart 2023 bij de POH GGZ geweest en daarna pas weer in februari 2024. De POH GGZ spreekt van spannings- en stemmingsklachten. Een verwijzing naar een tweedelijns GGZ is niet geïndiceerd geacht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de medische beoordeling van de mentale klachten van appellant. Van belang hierbij is dat het gaat om de beoordelingsdatum van 11 september 2023 en dat de – vooral mentale – verslechteringen die bij appellant zijn opgetreden na die datum hierin niet kunnen worden betrokken.
Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd waarom in 2022 tijdelijk wel een urenbeperking is aangenomen en op de beoordelingsdatum niet meer. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 1 april 2025 gemotiveerd toegelicht dat met de wel aangenomen beperkingen zowel mentale als fysieke overbelasting wordt voorkomen. Appellant heeft geen medische stukken overgelegd waaruit volgt dat de medische beoordeling over de urenbeperking onjuist is.
Over de medische beoordeling heeft de rechtbank geconcludeerd dat de medische belastbaarheid van appellant op de beoordelingsdatum van 11 september 2023 in de rapporten van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Alle beschikbare medische informatie is bij deze beoordeling betrokken. Appellant heeft geen medische informatie overgelegd die aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv.
Omdat ervan wordt uitgegaan dat de beperkingen, opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 maart 2023, juist zijn vastgesteld, bestaat volgens de rechtbank ook geen aanleiding te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 18 november 2024 en aan de hand van de ‘Resultaat functiebeoordeling’ van 29 juni 2023 gemotiveerd uiteengezet waarom de functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft herhaald dat het medisch onderzoek onvoldoende is geweest, dat de FML geen recht doet aan de ernst van zijn beperkingen en dat de arbeidsdeskundige onderbouwing ontoereikend is.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Volgens appellant had de FML van 29 maart 2023, geldig vanaf 6 februari 2023, waarin niet langer een urenbeperking is aangenomen die in 2022 wel was geaccepteerd, niet zonder meer voor juist mogen worden gehouden en is het schrappen van de urenbeperking niet deugdelijk onderbouwd. Het Uwv had daartoe in ieder geval gerichte informatie in moeten winnen bij behandelaars rond 11 september 2023. Deze grond slaagt niet.
De in 2022 in het kader van de Ziektewet aangenomen urenbeperking was, zoals blijkt uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 oktober 2022, gebaseerd op energetische gronden en van tijdelijke aard in verband met vermoeidheidsklachten in combinatie met toen recent ontwikkelde stemmingsproblematiek en toegenomen pijnklachten. Daarvoor was behandeling geïndiceerd die naar verwachting op korte termijn zou plaatsvinden. Bij de WIA-beoordeling in februari 2023 is vastgesteld dat de hiervoor besproken situatie zich inmiddels gedurende langere tijd in een status quo bevindt en dat een crisissituatie op 6 februari 2023 niet meer aan de orde is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 13 november 2024 nader toegelicht dat een indicatie voor een urenbeperking op grond van de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ niet langer aanwezig is. Er is op de beoordelingsdatum geen sprake van een aanzienlijke energetische beperking door een tekort aan energie, te groot energieverbruik of verminderde mogelijkheden tot recuperatie. Appellant slaapt overdag wel in wisselend mate, maar dit kan niet worden verklaard vanuit de aard en ernst van de aandoeningen waaraan appellant lijdt. Hiermee is deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd dat een urenbeperking op de beoordelingsdatum niet langer aan de orde is. Voor zover appellant in dit verband heeft aangevoerd dat het Uwv bij de behandelaars navraag had moeten doen, wordt opgemerkt dat appellant rond deze datum niet onder behandeling was. De stelling van appellant dat gelet op het chronische pijn- en vermoeidheidsbeeld en de blijvende slaapverstoring een urenbeperking is aangewezen, is niet met medische gegevens onderbouwd.
Appellant heeft verder aangevoerd dat de FML de combinatie van de fysieke en mentale problematiek onvoldoende weergeeft. Ook deze grond heeft appellant niet met medische gegevens onderbouwd. Anders dan appellant stelt, hebben de artsen van het Uwv bij het opnemen van de beperkingen in de FML zich niet alleen gebaseerd op eigen onderzoek, maar ook op de aanwezige medische gegevens die appellant heeft overgelegd en die door het Uwv zijn opgevraagd.
Volgens appellant heeft het Uwv niet onderbouwd waarom de eerder per 13 mei 2022 vastgestelde beperking met betrekking tot boven schouderhoogte actief zijn is vervallen per 11 september 2023. Uit het verslag van de arts van 11 april 2023 blijkt dat het Uwv ervoor heeft gekozen de FML die is opgesteld in het kader van de eerstejaars Ziektewetbeoordeling over te nemen voor het moment van de beoordeling ten tijde van einde wachttijd op 13 mei 2022. Voor het moment van 11 september 2023 is uitgegaan van de bevindingen van de fysieke onderzoeken van 6 februari 2023 en van 23 oktober 2024 en van de beschikbare medische informatie. Op basis daarvan hebben de artsen van het Uwv vastgesteld dat een actieve ab- en adductie en anteflexie van de schouders beiderzijds maximaal mogelijk is, dat de endo- en exoratie beiderzijds onbeperkt is en dat ook abductie tegen weerstand beiderzijds onbeperkt is. Bij de ellebogen is flexie tegen weerstand beiderzijds onbeperkt. Met deze beschreven onderzoeksbevindingen is genoegzaam toegelicht waarom per 11 september 2023 geen beperkingen zijn vastgesteld voor het boven schouderhoogte actief zijn.
Appellant heeft ter zitting gewezen op het arbeids-medisch belastbaarheidsonderzoek van 9 september 2024, uitgevoerd door Calder Werkt in opdracht van de gemeente Utrecht. Volgens appellant blijkt hieruit dat hij volledig ongeschikt is voor werk vanwege fysieke/psychische beperkingen en dat het medisch onderzoek door het Uwv niet goed is uitgevoerd. Ook deze grond slaagt niet. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat genoemd rapport is opgesteld ruim na de beoordelingsdatum van 11 september 2023 en dat het rapport geen onderzoeksbevindingen bevat en de daarin aangenomen beperkingen niet zijn gemotiveerd. Verder is het rapport opgesteld in het kader van de Participatiewet om de re-integratiemogelijkheden van appellant in kaart te brengen, waarbij ook aandacht wordt besteed aan de persoonlijke omstandigheden. Dit rapport heeft een ander doel dan de beoordeling door het Uwv in het kader van de Wet WIA.
De rechtbank wordt dan ook gevolgd dat de medische belastbaarheid van appellant in de rapporten van de artsen van het Uwv op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Alle beschikbare medische informatie is bij deze beoordeling betrokken. Appellant heeft geen medische informatie overgelegd die aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv.
Arbeidskundige beoordeling
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies. De overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) F.M. Gerritsen