Bestuursrecht overig

College van Beroep voor het bedrijfsleven · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26 november 2019

Zaakgegevens

Op 26 november 2019 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
26 november 2019
Datum publicatie
25 november 2019
Zaaknummer
17/1490A
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:CBB:2019:604
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bloemkwekerijheffing

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1490A

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van het College van 26 november 2019 in de zaak tussen:

[naam] B.V. appellante

(gemachtigde: mr. G.P. van Malkenhorst)

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder,

(gemachtigde: mr. N. Alam)

Procesverloop

Bij brief van 16 november 2018 heeft appellante het College verzocht om de uitspraak van

6 november 2018 in de zaak 17/1490 te herstellen dan wel te verbeteren in die zin dat ten aanzien van haar beroep verweerder wordt veroordeelt in haar proceskosten.

Overwegingen

1. Appellante heeft aan haar verzoek het volgende ten grondslag gelegd.

In de uitspraak heeft het College overwogen:

“2.1 Het beroep was aanvankelijk ook ingesteld door [naam] B.V. In beroep heeft verweerder alsnog de afgedragen heffing gerestitueerd. De gemachtigde heeft ter zitting daarnaar gevraagd meegedeeld dat geen uitspraak meer wordt verlangd op het beroep voor zover dit betrekking heeft op [naam] B.V.. Het College beschouwt het beroep derhalve in zoverre als ingetrokken.

(…)

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Appellante heeft in haar nadere geschrift, in de kern samengevat en bezien in samenhang met haar ter zitting ingenomen standpunt, kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat zij, hoewel zij geen behoefte meer had aan een inhoudelijke uitspraak op haar beroep, daarmee niet heeft bedoeld haar aanspraak op een veroordeling van verweerder in haar proceskosten prijs te geven door haar beroep in te trekken. Verweerder heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Het College ziet in een en ander aanleiding alsnog – appellante is immers niet vermeld als een van de appellanten in de uitspraak van 6 november 2018 – uitspraak te doen op het beroep van appellante en overweegt daartoe als volgt. Hangende beroep is verweerder aan appellante tegemoet gekomen. Het voorgaande betekent dat zij haar procesbelang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit heeft verloren en haar beroep niet – ontvankelijk is. In geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden (zie uitspraak CBb van 11- 4 - 2016, ECLI:NL:CBB:2016:89). Van bijzondere omstandigheden is hier niet gebleken.

Daarom zal het College alsnog een proceskostenveroordeling uitspreken. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor van 1).

3 Tevens bestaat er aanleiding om verweerder op te dragen het betaalde griffierecht aan appellante te vergoeden.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep niet – ontvankelijk

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant ad € 1.024,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €333,- aan appellante te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, in aanwezigheid van mr I.C. Hof griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2019.

w..g. R.R. Winter . w.g. I.C. Hof