Bestuursrecht overig
Beroep niet-ontvankelijk. Het College is van oordeel dat er geen sprake is van (summiere) gronden in de zin…
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12 oktober 2021
ECLI:NL:CBB:2021:939 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 12 oktober 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-cbb-2021-939
Zaakgegevens
Op 12 oktober 2021 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2021
- Datum publicatie
- 7 oktober 2021
- Zaaknummer
- 20/465
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2021:939
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep niet-ontvankelijk. Het College is van oordeel dat er geen sprake is van (summiere) gronden in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/465
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2021 in de zaak tussen
[naam BV] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: J.A. Brok),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2019 heeft verweerder de definitieve heffing Diergezondheidsfonds Pluimvee 2019 voor appellante vastgesteld op € 2.550,41.
Bij besluit van 7 april 2020 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het besluit van 7 april 2020 beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.
Overwegingen
1. Het College stelt vast dat appellante, na bij griffiersbrief van 28 mei 2020 in de gelegenheid te zijn gesteld om alsnog de gronden van het beroep in te dienen, dat niet heeft gedaan.
2. Het College stelt voorop dat bij de beoordeling of een beroepschrift de gronden van het beroep bevat, in het algemeen geen hoge eisen worden gesteld aan de wijze waarop de bezwaren tegen het bestreden besluit zijn verwoord. In de regel zal ook van een in het beroepschrift dan wel tijdig naar aanleiding van een geboden herstelmogelijkheid gegeven summiere motivering van het beroep kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dit neemt niet weg dat het (aanvullend) beroepschrift wel, hoe summier ook verwoord, ten minste één concrete beroepsgrond dient te bevatten.
3. Het beroepschrift bevatte geen gronden. Ter aanvulling van het beroepschrift heeft de gemachtigde een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingezonden. Uit dit uittreksel blijkt echter niet waarom appellante het niet eens is met het besluit van 7 april 2020. Het College is dan ook van oordeel dat dit alleen onvoldoende is om te kunnen spreken van een beroepsgrond in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
4. Het beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van F.L. van Haeften, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2021.
w.g. T.G.M. Simons w.g. F.L. van Haeften