Bestuursrecht overig
2e van een serie uitspraken. Beroep van een veehouder tegen een besluit waarbij zijn bezwaren tegen de…
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17 januari 2023
ECLI:NL:CBB:2023:18 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 17 januari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-cbb-2023-18
Zaakgegevens
Op 17 januari 2023 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 januari 2023
- Datum publicatie
- 16 januari 2023
- Zaaknummer
- 20/567 en 20/568
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2023:18
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
2e van een serie uitspraken. Beroep van een veehouder tegen een besluit waarbij zijn bezwaren tegen de toegepaste bestuursdwang door verweerder gegrond zijn verklaard, de lasten onder bestuursdwang en de kostenbesluiten zijn ingetrokken en de lopende incassoprocedure is stopgezet. Het College oordeelt dat de veehouder geen procesbelang heeft bij zijn beroep. Het beroep is niet-ontvankelijk.
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 20/567 en 20/568
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2023 in de zaak tussen
[veehouder] , te [plaats] , appellant,
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs).
Procesverloop
Bij besluiten van 2 en 22 maart 2017 heeft verweerder, nadat op 6 februari 2017 al spoedbestuursdwang was toegepast en zonder nader onderzoek te verrichten, opnieuw lasten onder bestuursdwang opgelegd, waarbij appellant werd opgedragen om de op 6 februari 2017 geconstateerde overtredingen binnen een bepaalde termijn op te heffen.
Vervolgens heeft verweerder op 9 mei 2017 bestuursdwang toegepast. De daarbij gemaakte kosten zijn bij kostenbesluiten van 7 en 8 juni bij appellant in rekening gebracht.
Bij besluiten van 28 april 2020 heeft verweerder de bezwaren van appellant gegrond verklaard, de beide lasten onder bestuursdwang en de beide kostenbesluiten ingetrokken en de lopende incassoprocedure stopgezet.
Appellant heeft tegen de besluiten van 28 april beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2022.
De zaken zijn behandeld samen met de zaken nummers 20/566 en 20/569 t/m 20/571, 20/617, 20/763, 20/860, 21/166 t/m 21/169, 21/1146, 22/225 en 22/1788.
Appellant is verschenen. Voor appellant zijn ook verschenen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4]
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn voor verweerder verschenen mr. J.W.J. Reuvers en mr. A.H. Spriensma. Ook is verschenen mr. M.A. Sijbrandij van het COKZ.
Overwegingen
1. Het College beoordeelt ambtshalve, dat wil zeggen ook als dit niet door partijen is aangevoerd, of appellant procesbelang heeft. Appellant heeft geen belang als zijn beroep hem niet in een betere positie kan brengen (ECLI:NL:HR:2014:878). Als procesbelang ontbreekt, dan is het beroep niet-ontvankelijk.
2. Het College is van oordeel dat hiervan sprake is. Appellant kan met de door hem ingestelde beroepen niet in een betere positie komen dan waarin hij door de gegrond-verklaring van zijn bezwaren en de intrekking van de bestuursdwangbesluiten en de kostenbesluiten al terecht is gekomen. Met de besluiten van 28 april 2020 zijn de lasten onder dwangsom van 2 en 22 maart 2017 en de daarmee verband houdende kostenbesluiten van 7 en 8 juni 2018 definitief van tafel. Dit betekent dat appellant geen procesbelang heeft bij zijn beroepen.
3. De slotsom is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn.
4. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2023.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. J.M.M. Bancken