Bestuursrecht overig
De ondernemer voldoet niet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister heeft de TVL goed…
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25 maart 2024
ECLI:NL:CBB:2024:280 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 25 maart 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-cbb-2024-280
Zaakgegevens
Op 25 maart 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 25 maart 2024
- Datum publicatie
- 18 april 2024
- Zaaknummer
- 22/2504
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2024:280
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De ondernemer voldoet niet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister heeft de TVL goed toegepast door bij de berekening van het omzetverlies uit te gaan van de aangiften omzetbelasting.
Uitspraak
proces-verbaal uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2504
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024
Raadsheer: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer), vertegenwoordigd door de ondernemer en J. Lont
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De ondernemer is het er niet mee eens dat de minister de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil heeft vastgesteld. De minister heeft volgens de ondernemer er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de omzet in de referentieperiode (Q1 van 2019) is gebaseerd op het kasstelsel en de omzet in de subsidieperiode op het factuurstelsel.
2 Het College geeft de ondernemer geen gelijk. De minister heeft de TVL goed toegepast door bij de berekening van het omzetverlies uit te gaan van de aangiften omzetbelasting. Hoewel dit nadelig uitpakt voor de ondernemer, biedt de TVL geen mogelijkheid om hiervan af te wijken. De regelgever heeft namelijk geen hardheidsclausule opgenomen in de TVL. Niet is gebleken dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het bestreden besluit onevenredig nadelig uitpakt, zodat de minister alsnog een uitzondering moest maken. De wijziging die de ondernemer om praktische redenen heeft doorgevoerd in zijn administratie, is hiervoor onvoldoende.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister was daarom bevoegd om op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil vast te stellen.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems