Bestuursrecht overig
De onderneming voldoet niet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De omstandigheden die de…
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25 maart 2024
ECLI:NL:CBB:2024:282 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 25 maart 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-cbb-2024-282
Zaakgegevens
Op 25 maart 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 25 maart 2024
- Datum publicatie
- 18 april 2024
- Zaaknummer
- 22/2543
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2024:282
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De onderneming voldoet niet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De omstandigheden die de onderneming heeft aangevoerd, zijn geen omstandigheden op grond waarvan de minister een uitzondering op de referentieperiodes had moeten maken.
Uitspraak
proces-verbaal uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2543
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024
Raadsheer: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming), vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3]
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De onderneming vindt dat de minister bij de vaststelling van de TVL-subsidie voor Q2 van 2021 had moeten uitgaan van de periode december 2019 tot en met februari 2020 en niet van in de TVL-regeling genoemde referentieperiodes. Dan was haar omzetverlies meer dan 30% geweest en had de minister de subsidie niet op nihil gesteld.
2 Het betoog van de onderneming slaagt niet. De TVL voor Q2 van 2021 geeft als referentieperiode alleen de keuze tussen Q4 van 2019 en Q3 van 2020. Dat de onderneming pas in de loop van Q4 van 2019 is open gegaan en in Q3 van 2020 slecht bereikbaar was omdat de straat voor haar ingang was opengebroken, zijn geen omstandigheden op grond waarvan de minister een uitzondering op de referentieperiodes had moeten maken. En dat door vast te houden aan de referentieperiodes niet wordt voldaan aan het vereiste omzetverlies van ten minste 30%, maakt niet dat de toepassing van de TVL op dit punt onevenredig is en de minister de omzet van de onderneming op andere wijze had moeten berekenen.
3 De minister heeft de aan de onderneming verleende TVL-subsidie voor Q2 2021 terecht vastgesteld op nihil.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems