Bestuursrecht overig
Uitspraak zonder zitting. TVL Q4 van 2021. De minister is terecht uitgegaan van de omzet die uit de aangifte…
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22 oktober 2024
ECLI:NL:CBB:2024:733 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 22 oktober 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-cbb-2024-733
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2024
- Datum publicatie
- 17 oktober 2024
- Zaaknummer
- 23/1174
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2024:733
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Uitspraak zonder zitting. TVL Q4 van 2021. De minister is terecht uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Beroep (kennelijk) ongegrond.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 28 februari 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:1347College van Beroep voor het bedrijfsleven · 22 oktober 2024deze uitspraak
ECLI:NL:CBB:2024:733
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1174
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (ondernemer)
(gemachtigde: R.A.A. van de Mortel)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 31 oktober 2022 heeft de minister de aan de ondernemer verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 8.826,- en het betaalde voorschot tot een bedrag van € 1.831,40 teruggevorderd.
Met het besluit van 15 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie berekend en vastgesteld aan de hand van de gegevens van de Belastingdienst.
3 De ondernemer voert aan dat de Belastingdienst de omzet in de referentie- en subsidieperiode onjuist heeft vastgesteld. Daarnaast heeft de minister formeel onjuist gehandeld in de bezwaarprocedure.
4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over zijn gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de gegevens van de Belastingdienst moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) en 9 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:442). Vast staat dat de ondernemer aangifte doet over zijn gehele omzet. Ook in dit geval is het College daarom van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt. Die omzet komt bovendien overeen met de omzet die de ondernemer in de vaststellingsaanvraag heeft opgegeven. Het betoog dat de minister formeel onjuist heeft gehandeld, heeft de ondernemer niet onderbouwd.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.