Bestuursrecht overig
Beroep niet tijdig beslissen gegrond. Minister onvoldoende aangetoond bestreden besluit op juiste wijze…
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25 februari 2025
ECLI:NL:CBB:2025:166 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 25 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-cbb-2025-166
Zaakgegevens
Op 25 februari 2025 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 25 februari 2025
- Datum publicatie
- 13 maart 2025
- Zaaknummer
- 23/1649
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2025:166
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep niet tijdig beslissen gegrond. Minister onvoldoende aangetoond bestreden besluit op juiste wijze bekendgemaakt. Beroep ongegrond. Uit betreffende brief kon onderneming niet opmaken dat het niet nodig was rechtsmiddelen aan te wenden tegen het bestreden besluit.
Uitspraak
proces-verbaal uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1649
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2025
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. A. Verhoeven
Partijen
[naam 1] , te [woonplaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig zijn mr. H. Koolen en [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, waarvoor aanwezig zijn mr. S. Piron en
mr. drs. G.O. Hoekstra
Beslissing
Het College:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond;
- kent de onderneming een dwangsom toe van € 1.442,-;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 21 december 2021 ongegrond;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van € 875,-.
Overwegingen
-
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar tegen het besluit van 2 augustus 2021 (afwijzingsbesluit). Met dit besluit is haar aanvraag voor een TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 afgewezen. De minister heeft in reactie op dit beroep erop gewezen dat hij tijdig, namelijk bij besluit van 21december 2023 (bestreden besluit het bezwaar van de onderneming niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege de te late indiening ervan.
-
De onderneming betwist de ontvangst van het bestreden besluit. Naar het oordeel van het College heeft de minister onvoldoende aangetoond dat het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Dat betekent dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van de onderneming gegrond is. De onderneming heeft de minister op de juiste wijze in gebreke gesteld voordat zij beroep heeft ingesteld. Pas enige tijd daarna heeft de minister het bestreden besluit naar het College gestuurd en het College heeft het besluit daarna naar de gemachtigde van de onderneming gestuurd. De onderneming heeft daarom recht op de maximale dwangsom van € 1.442,-.
-
Het beroep van de onderneming tegen het bestreden besluit is ongegrond. Het bezwaar van de onderneming tegen het afwijzingsbesluit is te laat ingediend en dit is niet verschoonbaar. De verwijzing van de onderneming naar de brief van 13 september 2021 kan haar namelijk niet baten. De onderneming had uit deze brief, die gaat over het vierde kwartaal van 2020 , niet mogen afleiden dat zij geen bezwaar hoefde te maken tegen het afwijzingsbesluit. In het afwijzingsbesluit staat duidelijk vermeld wanneer en hoe hiertegen bezwaar kan worden gemaakt.
4 De minister moet de proceskosten van de onderneming voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen vergoeden. Het gaat om 1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor van 0,5.
w.g. B. Bastein w.g. A. Verhoeven