Bestuursrecht overig

Verzet ongegrond, bezwaar niet-tijdig.

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21 augustus 2025

Zaakgegevens

Op 21 augustus 2025 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
21 augustus 2025
Datum publicatie
12 september 2025
Zaaknummer
24/104
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:CBB:2025:464
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzet ongegrond, bezwaar niet-tijdig.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/104

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2025 op het verzet van

[naam] B.V., te [woonplaats] (onderneming)

(gemachtigde: mr. R.R.J.W. Delsing)

De onderneming is niet verschenen.

Voor de minister van Economische Zaken is aanwezig mr. P. van Veen.


Rechter: mr. M. Schoneveld

Griffier: J. Bustin

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Overwegingen

1. Het College heeft met de uitspraak van 28 januari 2025 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 8 december 2023 ongegrond verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar tegen het besluit over de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding.

2 In verzet heeft de onderneming aangevoerd dat zij de administratie volledig had uitbesteed en niet wist dat zij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest instellen. Toen zij bekend raakte met het vaststellingsbesluit, heeft zij binnen enkele dagen een bezwaarschrift ingediend. Verder heeft de onderneming aangevoerd dat de coronacrisis voor haar een financieel moeilijke periode was, waarin zij afhankelijk was van subsidieregelingen als de TVL voor haar voortbestaan. Deze omstandigheden maken de termijnoverschrijding verschoonbaar, aldus de onderneming.

3 Het College heeft in de uitspraak van 28 januari 2025, onder verwijzing naar de uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31) geoordeeld dat de overschrijding van de termijn aan de onderneming is toe te rekenen. Het handelen van de door de onderneming ingeschakelde dienstverlener of het nalaten daarvan, komt in beginsel voor rekening en risico van de onderneming. Ook in verzet is niet gebleken van bijzondere, specifiek de onderneming betreffende, omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken.

4 Het verzet slaagt daarom niet. De uitspraak van 28 januari 2025 blijft in stand. Dit betekent dat de procedure hiermee is geëindigd.

w.g. M. Schoneveld w.g. J. Bustin