Bestuursrecht overig
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Hoger beroep · Bestuursrecht overig
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 10 juni 2004
ECLI:NL:CBB:2004:AP2129 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 10 juni 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-cbb-2004-ap2129
Zaakgegevens
Op 10 juni 2004 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 juni 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- AWB 03/614, 03/621 en 03/659
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2004:AP2129
Samenvatting
Mededingingswet
Uitspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
No. AWB 03/614, 03/621 en 03/659 10 juni 2004
9500 Mededingingswet
Beschikking ingevolge artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaken van:
1. Carglass B.V.,
gemachtigde: mr. C. Hamburger, advocaat te Laren,
2. Glasgarage Rotterdam B.V.,
gemachtigde: mr. drs. K.J. Defares, advocaat te Amsterdam,
3. de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit,
gemachtigde: mr. A.S.M.L. Prompers, werkzaam bij de Nederlandse mededingingsautoriteit,
elk appellante in hoger beroep tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 11 april 2003 in procedures tussen appellanten, alsmede partij die op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan het geding deelneemt in de beroepsprocedures van de overige twee appellanten.
1. Op 3, 4 en 17 juni 2003 heeft het College hogerberoepschriften ontvangen waarbij appellanten elk voor zich hoger beroep instellen tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank).
Bij die uitspraak heeft de rechtbank beslist op beroepen van appellanten onder 1 en 2 tegen een besluit van appellante onder 3.
2. Ter zitting van de rechtbank heeft appellante onder 2 toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, Awb ten aanzien van de stukken die over de 35%-korting gaan. In het kader van het onderhavige geding dient te worden beoordeeld welke (delen van) stukken deze toestemming betreft.
Het College stelt vast dat van het dossier zoals dat door appellante onder 3 is overgelegd, en voorzover het niet betreft stukken waarvoor appellante onder 2 al bij brief van 6 januari 2003 toestemming had gegeven, de volgende passages betrekking hebben op de door appellante onder 1 gehanteerde 35%-korting:
- bijlage bij stuk 78, pagina 1 tot en met pagina 3;
- bijlage bij stuk 156, randnummers 17, 30, 46 en 47;
- bijlage bij stuk 163, pagina 1 tot en met halverwege pagina 4;
- bijlage bij stuk 165, pagina 1 tot en met halverwege pagina 4;
- bijlage bij stuk 168, pagina 1 tot en met halverwege pagina 4;
- bijlage bij stuk 194, pagina 1 tot en met paragraaf 2.1 op pagina 3;
- bijlage bij stuk 199, pagina 1 tot en met paragraaf 2.1 op pagina 3.
3. De beslissing
Het College stelt vast dat de door appellante onder 2 ter zitting van de rechtbank gegeven toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, Awb betrekking heeft op de hierboven onder 2 genoemde stukken.
Aldus gegeven op 10 juni 2004 door mr. C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele, als griffier.
w.g. C.M. Wolters w.g. M.B.L. van der Weele