Bestuursrecht overig
Boetezaak. Rapport van bevindingen niet toereikend als bewijs voor overtreding.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 1 oktober 2025
ECLI:NL:CBB:2025:564 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 1 oktober 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-cbb-2025-564
Zaakgegevens
Op 1 oktober 2025 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2025
- Datum publicatie
- 15 oktober 2025
- Zaaknummer
- 24/364
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2025:564
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Boetezaak. Rapport van bevindingen niet toereikend als bewijs voor overtreding.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 7 maart 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:1896College van Beroep voor het bedrijfsleven · 1 oktober 2025deze uitspraak
ECLI:NL:CBB:2025:564
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg · Overig
Uitspraak
proces-verbaal uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 24/364
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2025 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] (de pluimveehouderij)
(gemachtigde: F.Th.M. Peters)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2024, kenmerk ROT 23/950 in het geding tussen
de pluimveehouderijende minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. A.F. Kabiri en mr. B.M. Kleijs)
Procesverloop
De pluimveehouderij heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2024, kenmerk ROT 23/950 (ECLI:NL:RBROT:2024:1896). Het hoger beroep richt zich niet tegen de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling en opdracht tot het vergoeden van het griffierecht.
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2025. De pluimveehouderij en de minister hebben zich beide laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
Het College:
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- vernietigt het bestreden besluit van 5 januari 2023;
- herroept het boetebesluit van 23 september 2022;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 559,- aan de pluimveehouderij te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten in hoger beroep van de pluimveehouderij tot een bedrag van € 1.814,-.
Overwegingen
1. De minister heeft de pluimveehouderij met het besluit van 23 september 2022 (boetebesluit) een boete opgelegd van € 1.500,- voor overtreding van de Wet dieren. Het bewijs daarvoor ontleent de minister aan een rapport van bevindingen van 15 januari 2021 (het rapport). Het bezwaar van de pluimveehouderij tegen de boete heeft de minister met het besluit van 5 januari 2023 ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd (bestreden besluit).
2 De rechtbank heeft geoordeeld dat de boete terecht is opgelegd, maar dat deze dient te worden gematigd. De rechtbank heeft het beroep van de pluimveehouderij gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boete betreft, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op de hoogte van de boete, het primaire besluit herroepen voor zover dat ziet op hoogte van de boete, de hoogte van de boete vastgesteld op € 1.350,- en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
3 De pluimveehouderij bestrijdt in hoger beroep het rapport.
4 Volgens de minister is het rapport opgesteld door een dierenarts. Het rapport is ondertekend door “Toezichthouder met nummer [nummer] ”. De minister heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen aangegeven wie het rapport heeft opgesteld. Om die reden kan het College er niet van uitgaan dat het rapport daadwerkelijk door een dierenarts is opgesteld. Om die reden is het rapport niet toereikend als bewijs voor de gestelde overtreding. Het boetebesluit kan daarom niet in stand blijven.
5 Het hoger beroep is gegrond.
6 Het College veroordeelt de minister in de door de pluimveehouderij gemaakte proceskosten in hoger beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). De minister moet ook het door de pluimveehouderij betaalde griffierecht in hoger beroep vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam in aanwezigheid van B. van den Bergh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.
De voorzitter is verhinderd w.g. Van den Bergh
het proces-verbaal te ondertekenen