Bestuursrecht overig

Fictieve weigering Gestelde vertragingsschade levert geen procesbelang op

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 16 april 2019

Zaakgegevens

Op 16 april 2019 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Datum uitspraak
16 april 2019
Datum publicatie
31 december 2019
Zaaknummer
SXM2018H00131, SXM2018H00132 en SXM2018H00141
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:OGHACMB:2019:210
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Fictieve weigering

Gestelde vertragingsschade levert geen procesbelang op

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]SXM2018H00131, 132 en 141

Datum uitspraak: 16 april 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op de hoger beroepen van:

de stichting Stichting het Wit Gele Kruis, gevestigd in Sint Maarten, appellante,

tegen de onderscheiden uitspraken van het Gerecht in eerste aanleg van

Sint Maarten van 23 juli 2018 in zaken nrs. SXM201800850, 656 en 655 in de gedingen tussen:

appellante

en

1. de minister van Algemene Zaken (tevens de minister-president van Sint Maarten) en

2. de minister van Justitie (hierna gezamenlijk: de ministers).

Procesverloop

Op 8 en 15 december 2017 en 16 januari 2018 heeft appellante bij de ministers verzoeken op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (hierna: de Lob-verzoeken) ingediend.

Bij onderscheiden uitspraken van 23 en 26 januari 2018 en 23 maart 2018 (de primaire uitspraken) heeft het Gerecht de beroepen van appellante, gericht tegen de op de voet van artikel 3, tweede lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) met een beschikking gelijkgestelde weigeringen van de ministers om beschikkingen op de Lob-verzoeken te geven (de fictieve weigeringen), gegrond verklaard, de fictieve weigeringen vernietigd en bepaald dat de ministers binnen drie weken alsnog beschikkingen op de Lob-verzoeken moeten geven.

Bij onderscheiden uitspraken van 23 maart 2018 en 25 april 2018 heeft het Gerecht, met toepassing van artikel 79, eerste lid, van de Lar, de aan hem gerichte verzoeken van appellante op de voet van artikel 98, eerste lid, van de Lar, gegrond bevonden, bepaald dat de ministers alsnog binnen drie weken aan de primaire uitspraken gevolg geven en, indien na afloop van die termijn nog geen gevolg aan die uitspraken is gegeven, een dwangsom wordt verbeurd van NAf 500,00 per dag, tot een maximum van NAf 50.000,00.

Bij onderscheiden uitspraken van 23 juli 2018 heeft het Gerecht de beroepen van appellante, gericht tegen de opnieuw ontstane fictieve weigeringen om beschikkingen op de Lob-verzoeken te geven, niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraken heeft appellante hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft de zaken ter zitting behandeld op 1 april 2019, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. P.P. Soons, advocaat, en de ministers, vertegenwoordigd door mr. R.F. Gibson jr., advocaat, vergezeld door

mr. F.K. Kutluer, beleidsmedewerker bij het ministerie van Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij beschikking van 25 maart 2019 (kenmerk: 157-198/JUS) heeft de minister van Justitie en bij onderscheiden beschikkingen van 26 maart 2019 (kenmerk: DIV 72929B/17 en DIV 7283B/17) de minister-president van

Sint Maarten beschikkingen op de Lob-verzoeken gegeven (de reële beschikkingen).

2. Appellante betoogt dat zij niettemin belang heeft bij een uitspraak op de door haar ingestelde hoger beroepen. Daartoe voert zij, voor zover van belang, aan dat zij belang heeft bij een uitspraak over de rechtmatigheid van de opnieuw ontstane fictieve weigeringen, omdat zij vertragingsschade heeft geleden en zij de mogelijkheid wil behouden om deze schade te vorderen, en omdat vernietiging van de opnieuw ontstane fictieve weigeringen gevolgen kan hebben voor de reële beschikkingen die door de ministers zijn gegeven. Voor dat laatste verwijst appellante naar de uitspraak van dit Hof van 29 november 2004 (ECLI:NL:OGHNAA:2004:BF3962).

2.1.

Appellante heeft niet met stukken of anderszins tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij door de fictieve weigeringen daadwerkelijk vertragingsschade heeft geleden. De (beweerde) schade waarvoor appellante - in een civielrechtelijke procedure - vergoeding wil vragen, is ook niet het gevolg van de (fictieve) weigeringen van de Lob-verzoeken. Hierin is geen grond gelegen om belang bij een inhoudelijke beoordeling van de hoger beroepen aan te nemen.

2.2.

De uitspraak van 29 november 2004 biedt evenmin grond voor een inhoudelijke beoordeling van de hoger beroepen. Anders dan in die uitspraak, kan appellante in dit geval nog rechtsmiddelen aanwenden tegen de reële beschikkingen.

2.3.

De hoger beroepen zijn niet-ontvankelijk.

3. De ministers worden op na te melden wijze in de proceskosten veroordeeld.

[afbeelding niet beschikbaar]Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

I. [afbeelding niet beschikbaar]verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk; en

II. veroordeelt minister van Algemene Zaken (tevens de minister-president van Sint Maarten) en de minister van Justitie gezamenlijk tot vergoeding van de bij appellante voor de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van NAf 1.400,00.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en

mr. H.G. Lubberdink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Saleh

voorzitter

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2019