Strafrecht overig
Verbetering-aanvulling bewijsmiddelen; vervangen bewijsoverwegingen.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 14 september 2023
ECLI:NL:OGHACMB:2023:351 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 14 september 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gemeenschappelijk-hof-van-justitie-van-aruba-curacao-sint-maarten-en-van-bonaire-sint-eustatius-en-saba/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-oghacmb-2023-351
Zaakgegevens
Op 14 september 2023 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Datum uitspraak
- 14 september 2023
- Datum publicatie
- 11 juni 2026
- Zaaknummer
- H-29/23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGHACMB:2023:351
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verbetering-aanvulling bewijsmiddelen; vervangen bewijsoverwegingen.
Uitspraak
Zaaknummer: H-29/23
Parketnummer : 500.00176/22
Uitspraak : 14 september 2023 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht), van 1 februari 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats],
verblijvende in [woonplaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht de in beslag genomen en nog niet teruggegeven GPS-apparaten en portofoon verbeurd verklaard en de teruggave gelast van de inbeslaggenomen portemonnee met inhoud, identiteitsbewijs en mobiele telefoon aan de verdachte.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 augustus 2023.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. A. Tiggelaar, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N. Montroos, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Namens de verdachte is vrijspraak bepleit en een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof zal het vonnis waarvan beroep bevestigen, met verbetering van gronden, in die zin dat de bewijsmiddelen zullen worden verbeterd en aangevuld en de bewijsoverwegingen zullen worden vervangen.
Verbetering en aanvulling bewijsmiddelen
Verbetering bewijsmiddelen
Het Gerecht heeft in de aanhef van bewijsmiddel no. 7 van het vonnis waarvan beroep opgenomen:
“De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 1 februari 2023 heeft afgelegd, voor zover inhoudende:”
Het Hof verbetert die zin als volgt:
“De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van het Gerecht van 1 februari 2023 heeft afgelegd, voor zover inhoudende:”
Aanvulling bewijsmiddelen
Het Hof voegt toe het navolgende bewijsmiddel aan de door het Gerecht gebezigde bewijsmiddelen:
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:
“Het klopt dat toen ik aan boord ben gestapt ik balen heb gezien. Ik dacht dat het drugs konden zijn. Nadat ik aan boord was, heb ik met mijn voeten gevoeld wat het was.”
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft als verweer gevoerd dat het opzet van de verdachte op het in nauwe en bewuste samenwerking met anderen invoeren en aanwezig hebben van de inbeslaggenomen cocaïne niet bewezen kan worden verklaard nu de verdachte geen wetenschap had van de cocaïne op de go-fast, althans bij het vervoer daarvan geen enkele rol vervulde en enkel de bedoeling had om – tegen betaling van $ 1.000,- (illegaal) naar Curaçao te emigreren.
Het Hof overweegt daarover als volgt.
Het Hof ontleent aan de inhoud van het dossier en wat ter terechtzitting is verhandeld de navolgende feitelijke gang van zaken:
-
de verdachte voer, samen met vijf anderen, in de nachtelijke uren op een zogeheten go-fast;
-
op de vordering van de Kustwacht om de go-fast tot stilstand te brengen werd niet gereageerd;
-
ook na drie waarschuwingsschoten bleven de opvarenden midden in de go-fast liggen;
-
de go-fast is tot stoppen gedwongen door elf gerichte schoten op de drie buitenboordmotoren, die hierdoor alle drie werden uitgeschakeld;
-
aan boord werden in totaal 21 balen en 48 pakketjes cocaïne aangetroffen, in totaal ruim 693 kilo, alsook vier vuurwapens en munitie;
-
in een uitgelezen, aan boord aangetroffen GPS-apparaat, is een route zichtbaar van de kust van Venezuela naar de noordkust van Curaçao.
Het Hof stelt voorop dat de op de go-fast aangetroffen hoeveelheid drugs een economische waarde van tientallen miljoenen guldens vertegenwoordigt. Op grond van algemene ervaringsregels gaat het Hof ervan uit dat organisatoren van het vervoer van een dergelijke waardevolle lading de risico’s van ontdekking en verlies daarvan zoveel mogelijk zullen willen beperken. Degenen die bij de invoer, het (verdere) vervoer, het in ontvangst nemen, uitladen en uit- en overpakken van deze lading betrokken worden zullen in het algemeen personen zijn die zij vertrouwen en die geïnstrueerd en geïnformeerd worden met het oog op het uitvoeren van de te verrichten taak: het drugstransport.
Het is ook in het kader van diezelfde risicobeperking dat, zoals ook in dit geval, gebruik wordt gemaakt van snelle vaartuigen die veelal in de nachtelijke uren opereren, om de kans op onderschepping zoveel mogelijk te beperken.
Dit alles impliceert dat de rol van de bij de feitelijke smokkel betrokken personen voor een geslaagd transport van wezenlijke betekenis is. Niet goed valt in te zien, dat de organisatoren – voor een verhoudingsgewijs luttel bedrag van $ 1.000,- - het risico zouden nemen om een opvarende mee te nemen die met het drugstransport niets van doen heeft, met alle risico’s van dien.
Het Hof heeft onder ogen gezien of er, niettegenstaande deze ervaringsregels, aanknopingspunten zijn om toch geloof te hechten aan de lezing van de verdachte.
De verdachte beroept zich ter ondersteuning van zijn lezing op de verklaringen van de bij de rechter-commissaris als getuigen gehoorde medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], die – kort gezegd – hebben verklaard dat de verdachte geen enkele betrokkenheid had bij het vervoer van de drugs en slechts als immigrant aan boord van de go-fast was.
Deze getuigen verklaren echter zodanig afwijkend van de verdachte zelf, en ook van elkaar, dat hun verklaringen als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Zo verklaart [medeverdachte 1], nadat hij bij de politie had verklaard dat zij met acht personen tegelijkertijd zijn vertrokken, dat de go-fast drie stops heeft gemaakt, en dat de verdachte bij de tweede stop als eennalaatste van zes personen op de go-fast stapte, waarna vervolgens bij de derde stop de medeverdachte [medeverdachte 3] zou zijn opgestapt. Anders dan [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat ze met acht personen zijn vertrokken vanuit de omgeving van Aguide. [medeverdachte 1] verklaart voorts dat de verdachte, toen hem duidelijk werd dat er drugs aan boord waren, wilde afstappen en zei dat hij niet mee wilde vanwege zijn familie en zijn vrijheid. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de verdachte zich bedrogen voelde en wilde wegrennen.
De verdachte heeft bij de politie echter niets verklaard over de bezwaren die hij volgens [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zou hebben geuit tegen de aanwezigheid van de drugs. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard in het geheel geen bezwaar te hebben gemaakt. Voor al deze inconsistenties is geen plausibele verklaring gegeven.
Tenslotte heeft de verdachte verklaard dat twee van de volgens hem acht opvarenden bij nadering van de Kustwacht van boord zijn gesprongen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte erkend dat dit niet de waarheid was, maar dat hij dit zo op verzoek van andere opvarenden heeft verklaard. De verdachte heeft ter terechtzitting geen plausibele uitleg kunnen geven voor deze loyale houding ten opzichte van degenen die hem in zijn visie tegen zijn wil in deze situatie hebben gebracht.
Gelet op al het bovenstaande acht het Hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte weet heeft gehad van de aard van de aanwezige lading en het doel van het transport en bij dat transport willens en wetens nauw en bewust heeft samengewerkt met de overige personen aan boord. Om die reden kan de verdachte als medepleger worden aangemerkt.
Het verweer wordt verworpen.
BESLISSING
Het Hof:
bevestigt het vonnis van het Gerecht met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Dit vonnis is gewezen door mrs. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. S. Verheijen en mr. F.V.L.M. Wannyn, leden van het Hof, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito, (zittings)griffier, en op 14 september 2023 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
mr. S. Verheijen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
uitspraakgriffier: