Bestuursrecht overig

AUA201700259: verzoeker is geen belanghebbende, verzoek afgewezen Volgens vaste rechtspraak van het…

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 10 april 2017

Zaakgegevens

Op 10 april 2017 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Datum uitspraak
10 april 2017
Datum publicatie
12 april 2017
Zaaknummer
AUA201700259
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:OGEAA:2017:249
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

AUA201700259: verzoeker is geen belanghebbende, verzoek afgewezen

Volgens vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is bij de beschikking om een vergunning tot tijdelijk verblijf te weigeren slechts het belang van de desbetreffende vreemdeling rechtstreeks betrokken. Nu verzoeker uit eigen naam tegen de beschikkingen tot weigering van vergunningen tot tijdelijk verblijf bezwaar heeft gemaakt, dienen de onderscheiden bezwaren naar voorlopig oordeel niet ontvankelijk te worden verklaard. Gelet hierop, bestaat geen grond tot het treffen van enige voorlopige voorziening. Het verzoek zal worden afgewezen.

Uitspraak

Uitspraak van 10 april 2017

AUA201700259

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[verzoeker],

wonend in Aruba,

VERZOEKER,

gemachtigde: T.N.J. van der Linde,

gericht tegen:

de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER.

1 PROCESVERLOOP

Bij onderscheiden beschikkingen van 16 mei, 1 juli, 3 oktober, 1 en 9 november 2016 en van 3, 13 en 18 januari 2017 heeft verweerder afwijzend beslist op onderscheiden verzoeken om verlening van vergunningen tot tijdelijk verblijf van tien vreemdelingen om ten behoeve van de naamloze vennootschap R.J.Q. Development, Cleaning, Manpower & More N.V., waarvan verzoeker directeur is, arbeid in loondienst te verrichten.

Tegen deze beschikkingen heeft verzoeker bij onderscheiden brieven bezwaar gemaakt.

Bij brief van 24 maart 2017 heeft verzoeker het gerecht verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Uitspraak op dit verzoek is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.

Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.

2.2

Hoewel de Lar daarvoor geen uitdrukkelijke grondslag biedt, brengt een redelijke wetstoepassing mee dat in bepaalde gevallen uitspraak op een verzoek om een schorsing of een voorlopige voorziening kan worden gedaan, zonder dat partijen tevoren ter zitting zijn gehoord. Daarvoor kan aanleiding bestaan, indien onverwijlde spoed dit vereist, alsmede in het geval dat het verzoek evident niet-ontvankelijk of niet voor inwilliging vatbaar is, dan wel het verzoek blijk geeft van misbruik van procesrecht.

2.3

Naar het oordeel van het gerecht is het onderhavige verzoek evident niet voor inwilliging vatbaar. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.4

Volgens vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (onder meer de uitspraak van 13 oktober 2008, ECLI:NL:OGHNAA:2008:BG0845) is bij de beschikking om een vergunning tot tijdelijk verblijf te weigeren slechts het belang van de desbetreffende vreemdeling rechtstreeks betrokken. Nu verzoeker niet namens de desbetreffende vreemdelingen, maar uit eigen naam tegen de onderscheiden beschikkingen tot weigering van vergunningen tot tijdelijk verblijf bezwaar heeft gemaakt, bij welke beschikkingen hij naar voorlopig oordeel geen belanghebbende is, dienen de onderscheiden bezwaren naar voorlopig oordeel niet-ontvankelijk te worden verklaard. Gelet hierop, bestaat geen grond tot het treffen van enige voorlopige voorziening.

2.5

Het verzoek zal worden afgewezen.

2.6

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2017 in aanwezigheid van de griffier.