Bestuursrecht overig

verbintenissenrecht, geen renteloze geldlening

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 27 maart 2019

Zaakgegevens

Op 27 maart 2019 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Datum uitspraak
27 maart 2019
Datum publicatie
11 april 2019
Zaaknummer
2901 van 2016 / AUA201600687
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:OGEAA:2019:186
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

verbintenissenrecht, geen renteloze geldlening

Uitspraak

Vonnis van 27 maart 2019 (bij vervroeging)

Behorend bij A.R. 2901 van 2016 / AUA201600687

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[eiseres],

wonende in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: [eiseres],

gemachtigden: de advocaten mrs. A.A. Ruiz en I.R. Wever,

tegen:

[gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot 7 november 2018 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. De bij dat vonnis gelaste comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 4 december 2018. [eiseres] is ter zitting verschenen samen met haar gemachtigde. [gedaagde] is eveneens verschenen samen met zijn gemachtigde, voor wie mr. E.M.J. Carfarzuza heeft geoccupeerd. Partijen hebben over en weer het woord gevoerd, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Het Gerecht volhardt in zijn in de tussenvonnissen neergelegde overwegingen en beslissingen

2.2

Ter zitting heeft [eiseres] verklaard dat zij geen verder bewijs zal leveren van haar door [gedaagde] gemotiveerde stelling dat [gedaagde] van [eiseres] een renteloze lening heeft verkregen ten belope van het in hoofdsom gevorderde (minus het door [gedaagde] erkende bedrag ad

Afl. 4.599,03). Dat brengt mee dat niet vast komt te staan dat [eiseres] meer dan voormeld door [gedaagde] erkende bedrag aan [gedaagde] krachtens een overeenkomst van geldlening heeft verstrekt.

2.3

Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 4.7 en 4.8 van het tussenvonnis van 14 februari 2018 luidt de slotsom dat de vordering van [eiseres] ten belope van het door [gedaagde] erkende bedrag zal worden toegewezen en voor het meerdere van dat bedrag zal worden afgewezen. De onbestreden vordering ter zake van wettelijke rente zal worden toegewezen als na te melden, waarbij de dag volgende op de betekening van het verzoekschrift aan [gedaagde] als aanvangsdatum in aanmerking zal worden genomen.

2.4

In de uitkomst van deze procedure en de omstandigheid dat partijen familie van elkaar zijn (moeder en zoon) ziet het Gerecht aanleiding om de proceskosten te compenseren tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

3 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen Afl. 4.599,03, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 8 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

-verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

-compenseert de proceskosten tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

-wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 maart 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

[1] Zie onderaan bijlage Formele relaties [2] Zie onderaan bijlage Overzicht rechtsgebieden [3] Zie onderaan bijlage Bijzondere kenmerken van uitspraak