Bestuursrecht overig
Verzoek ex artikel 54 Lar. Verzoekster verblijft al enkele jaren illegaal in Aruba. Bovendien is verzoekster…
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 13 november 2019
ECLI:NL:OGEAA:2019:740 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba · 13 november 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerecht-in-eerste-aanleg-van-aruba/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-ogeaa-2019-740
Zaakgegevens
Op 13 november 2019 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 13 november 2019
- Datum publicatie
- 20 november 2019
- Zaaknummer
- AUA201903630
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGEAA:2019:740
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek ex artikel 54 Lar. Verzoekster verblijft al enkele jaren illegaal in Aruba. Bovendien is verzoekster op 9 oktober 2019 werkend aangetroffen. Het belang van het Land om de wet- en regelgeving met betrekking tot toelating van vreemdelingen strikt te handhaven weegt in dit geval zwaarder dan het belang van verzoekster om na ruim zes jaar illegaal verblijf alsnog een verblijfsvergunning te regelen. Het verzoek wordt afgewezen.
Uitspraak
Uitspraak van 13 november 2019
Lar nr. AUA201903630
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het verzoek in de zin van artikel 54 van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Verzoekster],
van Venezolaanse nationaliteit,
VERZOEKSTER,
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Illes,
gericht tegen:
DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigden: mr. C.L. Geerman (DWJZ) en J.M. Harewood (DIMAS).
PROCESVERLOOP
Bij bevelschrift, gedateerd 9 oktober 2019 (bestreden beschikking), heeft verweerder de uitzetting van verzoekster bevolen.
Tegen deze beschikking heeft verzoekster op 7 mei 2019 bezwaar gemaakt.
Op 18 oktober 2019 heeft verzoekster bij dit gerecht een verzoekschrift als bedoeld in artikel 54 van de Lar ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 30 oktober 2019. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder bij zijn gemachtigde.
Uitspraak is bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.
Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van de indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) kunnen uitgezet worden personen die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, wanneer zij in het land worden aangetroffen, nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken of nadat de geldigheid van de vergunning door enige andere oorzaak is vervallen.
Ingevolge het tweede lid geschiedt de uitzetting krachtens een met redenen omkleed bevelschrift van de minister, belast met justitiële aangelegenheden, houdende het bevel Aruba binnen een daarbij te bepalen termijn te verlaten. Het bevelschrift vermeldt de periode waarin aan de betrokkene de toelating tot Aruba zal worden geweigerd; deze periode bedraagt ten hoogste acht jaar.
Ingevolge het derde lid wordt bij de bepaling van de in de eerste volzin van het tweede lid genoemde termijn aan betrokkene, indien nodig, voldoende tijd gelaten om orde op zijn zaken te stellen.
Feiten
Verzoekster is op 14 november 2013 Aruba binnengekomen als toerist met een toegestane verblijfsduur voor 15 dagen.
Op 24 april 2019 heeft verzoekster een eerste aanvraag voor een vergunning tot tijdelijk verblijf ingediend. Dit verzoek is afgewezen.
Verzoekster heeft een tweede vergunning voor gezinshereniging ingediend. Dit verzoek is afgewezen.
Op 9 oktober 2019 is verzoekster door de afdeling Vreemdelingentoezicht van het Korps Politie Aruba werkend aangetroffen bij [ X ] als keuken hulp.
Bij bestreden beschikking heeft verweerder de uitzetting van verzoekster bevolen.
De standpunten van partijen
Verweerder heeft aan het bevel tot uitzetting ten grondslag gelegd dat verzoekster sinds 2013 niet in het bezit is van een geldige verblijfstitel en zij illegaal aan het werk was. Bovendien behoeft haar illegale verblijf op Aruba niet te worden gedoogd.
Verzoekster stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat zij een zoon heeft die over de Nederlandse nationaliteit beschikt. Verder stelt verzoekster dat zij met haar echtgenoot een familie op Aruba heeft gevormd en dat zij daarom in aanmerking zal komen voor een verblijfsvergunning. De belangen van verzoekster wegen zwaarder dan de belangen van het Land om haar uit te zetten.
Beoordeling
4. Voor zover de toetsing aan het in artikel 54 van de Lar neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.
5. Vast staat dat verzoekster sinds 30 november 2013 zonder geldige verblijfstitel op Aruba verblijft zodat verweerder op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ltu bevoegd is verzoekster uit te zetten.
6. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het geven van een bevel tot uitzetting. Daartoe wordt als volgt overwogen.
7. Verzoekster verblijft al enkele jaren illegaal in Aruba. Bovendien is verzoekster op 9 oktober 2019 werkend aangetroffen. Het belang van het Land om de wet- en regelgeving met betrekking tot toelating van vreemdelingen strikt te handhaven weegt in dit geval zwaarder dan het belang van verzoekster om na ruim zes jaar illegaal verblijf alsnog een verblijfsvergunning te regelen.
8. Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor schorsing van het bestreden bevelschrift. Het verzoek wordt afgewezen.
BESLISSING
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. H. van Suilen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2019 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.