Bestuursrecht overig
Herhaald verzoek ex artikel 53 van de Lar - dwangsom
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 21 maart 2022
ECLI:NL:OGEAA:2022:188 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba · 21 maart 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerecht-in-eerste-aanleg-van-aruba/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-ogeaa-2022-188
Zaakgegevens
Op 21 maart 2022 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 21 maart 2022
- Datum publicatie
- 15 juli 2022
- Zaaknummer
- AUA202101707
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGEAA:2022:188
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Herhaald verzoek ex artikel 53 van de Lar - dwangsom
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]Uitspraak van 21 maart 2022
Lar nr. AUA202101707
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Verzoeker],
verblijvend in Aruba,
VERZOEKER,
gemachtigde: drs. M.L. Hassell,
gericht tegen:
de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER.
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak van 7 december 2020 (Lar nr. AUA202000666) heeft het gerecht bepaald dat verweerder binnen drie maanden een beslissing dient te nemen op het bezwaar van verzoeker van 15 april 2019 en dat verweerder aan verzoeker een dwangsom verbeurt van Afl. 250,- voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft om een beslissing op het bezwaar te nemen, met een maximum van Afl. 25.000,-.
Op 24 juni 2021 heeft verzoeker een herhaald verzoek op grond van artikel 53 van de Lar ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 7 februari 2022. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de Lar kan, indien het bestuursorgaan niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldoet aan artikel 51, de wederpartij bij het gerecht een verzoek indienen tot toekenning van een vergoeding ten laste van het Land dan wel een verzoek om het bestuursorgaan te verplichten alsnog gevolg te geven aan de uitspraak. Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kan bij de beslissing op dit verzoek worden bepaald dat het bestuursorgaan aan de wederpartij een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat het in gebreke blijft aan de beslissing te voldoen.
2. Het verzoek strekt ertoe om verweerder door middel van het opleggen van een dwangsom overeenkomstig artikel 53, tweede lid, van de Lar te verplichten gevolg te geven aan de uitspraak van 4 november 2019, waarbij onder meer is bepaald dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een reële beslissing dient te nemen op het bezwaar van 15 april 2019 van verzoeker.
3. Het gerecht overweegt dat bij het sluiten van het onderzoek niet is gebleken dat verweerder op het bezwaar van verzoeker van 15 april 2019 heeft beslist. Aangenomen dient dan ook te worden dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van
4 november 2019. De omstandigheid dat het gerecht reeds bij uitspraak van 7 december 2020 op een verzoek in de zin van artikel 53 van de Lar heeft beslist en dat inmiddels de daarbij opgelegde maximale dwangsom is volgelopen, brengt niet mee dat daarmee de verplichting tot nakoming van de uitspraak van 4 november 2019 is komen te vervallen. Een herhaald verzoek om nakoming, mits binnen een redelijke termijn, is daarom mogelijk.
4. Het gerecht ziet daarom aanleiding om verweerder weer op te dragen om een beslissing op het bezwaar van verzoeker van 15 april 2019 te nemen binnen een termijn van twee maanden na dagtekening van deze uitspraak, wederom onder het opleggen van een dwangsom.
5. Voor een proceskostenveroordeling naar aanleiding van het onderliggende verzoek biedt de Lar geen grondslag.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- bepaalt dat verweerder binnen twee maanden na dagtekening van deze uitspraak alsnog een beslissing dient te nemen op het bezwaar van verzoeker van 15 april 2019;
- bepaalt dat verweerder een dwangsom aan verzoeker verbeurt van Afl. 500,- voor elke dag dat hij in gebreke blijft om na bovengenoemde termijn van twee maanden een beslissing op bezwaar te nemen, met een maximum van Afl. 35.000,-.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2022 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.