Bestuursrecht overig
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Er is geen sprake van willekeur wanneer de Dienst Toeslagen, conform…
Rechtbank Rotterdam, 29 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14830 · Rechtbank Rotterdam · 29 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-14830
Zaakgegevens
Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- ROT 25/9104
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14830
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Er is geen sprake van willekeur wanneer de Dienst Toeslagen, conform eigen beleid, niet overgaat tot het doen van een schikkingsvoorstel. De Dienst Toeslagen is hier niet toe verplicht. Eiseres heeft verder geen beroepsgronden aangevoerd. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9104
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. P. van Baaren),
en
Dienst Toeslagen.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres heeft compensatie ontvangen. Omdat zij het niet eens was met de hoogte daarvan, heeft zij bezwaar gemaakt. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte een besluit op bezwaar heeft genomen voordat aan haar een schikkingsvoorstel is gedaan. De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen niet verplicht was om aan eiseres een schikkingsvoorstel te doen. Eiseres heeft verder geen beroepsgronden aangevoerd. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
2. Met het besluit van 19 september 2024 (UHT-DCHO) heeft de Dienst toeslagen aan eiseres compensatie toegekend op grond van de Wht.
Met het besluit van 8 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Met het besluit van 19 september heeft de Dienst Toeslagen de toeslagjaren 2015 tot en met 2017 beoordeeld en vastgesteld dat ten aanzien van eiseres sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid in het toeslagjaar 2017. Voor de toeslagjaren 2015 en 2016 heeft de Dienst Toeslagen geen compensatie toegekend. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de hoogte van het compensatiebedrag niet gewijzigd.
Schikkingsvoorstel
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het besluit op bezwaar in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij voert hiertoe aan dat aan haar een schikking van € 5.000,- aangeboden had moeten worden tijdens de bezwaarprocedure. Aan andere gedupeerden van de toeslagenaffaire wordt wel een schikking aangeboden in de bezwaarfase. Het is eiseres niet duidelijk waarom aan de één wel en aan de ander geen schikkingsvoorstel wordt gedaan.
De rechtbank heeft eiseres per brief van 21 april 2026 in de gelegenheid gesteld om specifieke gronden te richten tegen (onderdelen van) het bestreden besluit. Eiseres heeft in reactie hierop geen specifieke grond(en) naar voren gebracht ten aanzien van het bestreden besluit. Eiseres handhaaft het standpunt dat sprake is van willekeur, omdat aan haar geen schikkingsvoorstel is gedaan.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de beslisnota van 19 juni 2024, ambtshalve bij de rechtbank bekend, volgt dat er een gestandaardiseerd schikkingsvoorstel wordt ingezet als versnellingsmaatregel van de bezwaarprocedure. Dit schikkingsvoorstel betreft een bedrag van € 5.000,- en wordt aangeboden aan een specifieke doelgroep. De doelgroep bestaat uit bezwaarmakers die voldoen aan drie criteria, namelijk:
-
de bezwaarmaker is in de integrale beoordeling als gedupeerde aangemerkt;
-
het bezwaar tegen de integrale beoordeling is ingediend voor 1 juni 2024, en;
-
de Dienst Toeslagen heeft op 1 september 2024 nog geen besluit op bezwaar genomen.
Uit het dossier volgt dat eiseres op 25 november 2024 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 19 september 2024. Gelet daarop behoort eiseres niet tot de genoemde specifieke doelgroep.
De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen aan eiseres geen schikkingsvoorstel heeft hoeven doen. Uit wet- of regelgeving volgt niet dat de Dienst Toeslagen daartoe verplicht is, terwijl wel is gehandeld volgens de eigen beslisnota.
De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiseres heeft, zoals zij zelf ook heeft erkend, verder geen inhoudelijke beroepsgronden gericht tegen (onderdelen van) het bestreden besluit. De rechtbank beoordeelt daarom de inhoud van het bestreden besluit niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van A.R. de Groot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.