Arbeidsrecht
Arbeid. Ontbindingsverzoek van de werkgever wordt afgewezen. De door haar gestelde incidenten leveren…
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 15 juli 2026
ECLI:NL:OGEAA:2026:199 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba · 15 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerecht-in-eerste-aanleg-van-aruba/civiel-recht/arbeidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-ogeaa-2026-199
Zaakgegevens
Op 15 juli 2026 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- AUA202601397 EJ
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGEAA:2026:199
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Arbeid. Ontbindingsverzoek van de werkgever wordt afgewezen. De door haar gestelde incidenten leveren redelijkerwijs geen verwijtbaar handelen door de werknemer op en kunnen niet worden aangemerkt als de spreekwoordelijke druppels die de (verwijten)emmer deed overlopen. Evenmin leveren zij een rechtens te respecteren vertrouwensbreuk op.
Uitspraak
Beschikking van 15 juli 2026
Behorend bij AUA202601397 EJ
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
de vennootschap naar het recht van Nederland
SITA B.V.,
te Aruba,
verzoekster,
hierna te noemen: SITA,
gemachtigden: de advocaten mrs. M. Bemer en J. Relouw,
tegen:
[Verweerder],
te Aruba,
verweerder,
hierna ook te noemen: [verweerder],
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock.
1 DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 20 april 2026 ingediende verzoekschrift met producties;
- de door SITA op 15 mei 2026 nader toegezonden producties;
- de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van vrijdag 29 mei 2026.
Mr. Bemer is namens SITA ter zitting verschenen. [Verweerder] is ter zitting verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen hebben het woord gevoerd - mede aan de hand van de door hen overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.
De datum van beschikking is bepaald op heden.
2 DE FEITEN
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.
SITA is een bedrijf dat actief is binnen de luchthavenomgeving van Aruba Airport Authority N.V. (hierna: AAA) en is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de telecommunicatie- en terminalsystemen op de luchthaven, waaronder de ‘common use terminal equipment (cute)’ die door luchtvaartmaatschappijen en agenten worden gebruikt, ter verkrijging van toegang tot de bestaande luchthaveninfrastructuur.
Verweerder] is op 30 september 2013, tegen een bruto maandloon van Afl. 4.050, in dienst getreden van SITA als ‘Engineer Field Operations’ op de luchthaven van Aruba, die wordt beheerd door AAA. Blijkens de door SITA overgelegde arbeidsovereenkomst bestaan de taken van [verweerder] uit uiteenlopende technische operationele werkzaamheden op de luchthaven, waarbij hij gehouden is de aanwijzingen en instructies van SITA of de manager te volgen.
Bij brief van 9 maart 2026 is [verweerder] - in afwachting van intern onderzoek - geschorst, omdat hij op 3 maart 2026 een collega die niet geautoriseerd was om de core room te betreden, heeft toegelaten tot die ruimte. De brief luidt als volgt:
“This letter serves to formally advise you that you are being placed under suspension from your duties with immediate effect, pending investigation of a serious workplace incident.
Last Friday, we were informed of an incident that apparently occurred on Tuesday, March 3, 2026, in which you allowed a colleague to enter a restricted airport area while that individual was not in possession of the required airport badge and did not have the necessary authorization. Such actions constitute a serious breach of airport security regulations.”.
Naar aanleiding van voormeld incident heeft AAA de toegang van [verweerder] tot de beveiligde luchthavengebieden met ingang van 9 maart tot 9 april 2026 opgeschort.
Nadat het onderzoek naar het hierboven beschreven incident was afgerond, is aan [verweerder] met betrekking tot bedoeld incident op 23 maart 2026 een schriftelijke waarschuwing gegeven. Daarbij is [verweerder] onder meer medegedeeld dat een nieuwe misstap tot ontslag op staande voet zou kunnen leiden.
Verweerder] is hierna op dezelfde datum wederom geschorst in verband met een onderzoek naar een ander incident dat zich tijdens zijn schorsing op 20 maart 2026 heeft voorgedaan. De schorsingsbrief luidt als volgt:
“This letter serves to formally advise you that you are being placed on suspension from your duties with immediate effect, pending investigation of a serious workplace incident.
Last Friday, we were informed of an incident that occurred while you were on suspension, in which you provided another individual with an administrator password for our common-use platform/domain without our knowledge or consent. This constitutes a serious breach of our company’s security policies and protocols.”.
Op 2 april 2026 is [verweerder] op staande voet ontslagen. De ontslagbrief luidt als volgt:
“On March 2023, 2026, you received a written warning letter following your suspension on March 9, 2026. This suspension was imposed in connection with an incident reported to management that occurred on Tuesday, March 3, 2026. During this incident, you allowed a colleague to enter a restricted airport area while that individual did not possess the required airport badge or authorization. This conduct constitutes a serious breach of airport security regulations as well as the Company’s policies.
Moreover, on March 23, 2026, you were again suspended due to another incident, where management became aware of the Friday prior to handing you the written warning, while you were on suspension. It has been established that you provided an administrator password for the common-use platform/domain of SITA B.V. to an unauthorized individual, without the knowledge or consent of the Company. This conduct constitutes a severe violation of the Company’s security policies, protocols, and applicable information security standards.
Over the past several years, management has repeatedly addressed concerns related to your attitude and the quality of your work. On multiple occasions, specific areas for improvement were clearly communicated to you, and you were provided with opportunities to correct and improve your performance. Despite these efforts, the expected improvement has not been realized.
(…).
Despite having been given several opportunities to improve your work attitude, including through the Performance Improvement Plan (PIP) implemented in January 2026, you have failed and/or refused to demonstrate the required improvement. The incident that occurred in March 2026, involving unauthorized access to a restricted airport area, following the incident discovered by management on Friday, March 20, 2026, concerning the unauthorized sharing of an administrator password, constitutes the final straw.
The Company considers that there is a pattern of conduct consisting of a series of acts and omissions which, although each may not individually have constituted sufficient grounds for dismissal for urgent cause, when taken together have led to an unacceptable situation for the Company. Against this background, the most recent incidents must be regarded as the final straw, which, in conjunction with the preceding conduct, has rendered the continuation of the employment relationship untenable.
These prior and recent incidents, in their totality, have resulted in an irreparable breach of the trust and collectively constitute an urgent cause for the termination of the employment agreement.”.
3. HET GESCHIL
SITA verzoekt het Gerecht om bij beschikking, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, indien en voor zover die nog bestaat, met onmiddellijke ingang te ontbinden, zonder toekenning van enige vergoeding aan [verweerder] en met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure, te voldoen binnen veertien (14) dagen na dagtekening van de beschikking en - voor het geval dat voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na dagtekening van de beschikking en te vermeerderen met de na de beschikking te maken kosten van tenuitvoerlegging daarvan.
SITA heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van gewichtige redenen, bestaande uit een dringende reden dan wel verandering in de omstandigheden, die meebrengen dat de arbeidsovereenkomst - zo die nog bestaat - onmiddellijk behoort te eindigen.
Verweerder] heeft verweer gevoerd en heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van het door SITA verzochte, dan wel tot het ontbinden van de arbeidsovereenkomst, met toekenning aan hem van een billijke vergoeding, met veroordeling van SITA in de kosten van de procedure, uitvoerbaar bij voorraad.
Voor zover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.
4 DE BEOORDELING
Aan de orde is de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden dient te worden. Ingevolge artikel 7:685 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW) is iedere partij te allen tijde bevoegd zich wegens gewichtige redenen tot de rechter te wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Als gewichtige redenen worden onder meer beschouwd omstandigheden welke een dringende reden als bedoeld in het eerste lid van artikel 7:677 BW zouden hebben opgeleverd, alsook veranderingen in de omstandigheden welke van dien aard zijn dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Indien de rechter het verzoek inwilligt wegens veranderingen in de omstandigheden, kan hij op grond van het achtste lid van bedoeld artikel, zo hem dat met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt, aan een der partijen ten laste van de wederpartij een vergoeding toekennen.
dringende reden
SITA stelt zich primair op het standpunt dat sprake is van een dringende reden, omdat [verweerder] recentelijk (nadat hij in oktober en november 2025 de ziekteverzuimprotocollen niet heeft nageleefd en het in januari 2026 opgestarte Performance Improvement Plan niet met succes heeft afgerond) tot twee keer toe de veiligheids- en beveiligingsvoorschriften heeft geschonden en daarvoor disciplinair is gestraft met een waarschuwing en schorsing. Zo heeft [verweerder] op 3 maart 2026 een collega, die niet over de vereiste luchthavenpas of autorisatie beschikte, toegang verleend tot een beveiligd gebied van de luchthaven, terwijl aan [verweerder] tijdens de laatste door hem gevolgde cursus op 7 september 2023 (Airside Safety & Security Training) opnieuw is medegedeeld dat bezoekerspassen strikt persoonsgebonden zijn en niet aan derden mogen worden verstrekt of door anderen mogen worden gebruikt. Dit volgt volgens SITA ook uit het cursusdocument aangeduid als “Terminal Safety & Security Training”, waarmee [verweerder] bekend is. [Verweerder] is wegens dit gedrag op 9 maart 2026 geschorst, waarna hij op 23 maart 2026 schriftelijk is gewaarschuwd. [Verweerder] heeft vervolgens op 20 maart 2026 (tijdens zijn schorsingsperiode) - in strijd met de interne voorschriften - zijn persoonlijke administrator-wachtwoord, dat bestemd is voor het afhandelen van passagiers, verstrekt aan een collega die zich in zijn proeftijd bevond en dus niet bevoegd was te beschikken over bedoeld wachtwoord. Dit gedrag wordt volgens SITA naar zijn aard beschouwd als het delen van vertrouwelijke informatie met een onbevoegde derde, hetgeen conform de (bij [verweerder] bekende) geldende procedureregels van SITA - zoals vastgelegd in het document aangeduid als “Disciplinary procedure” - een ernstig plichtsverzuim vormt. Niet alleen is [verweerder] wegens dit gedrag op 23 maart 2026 wederom geschorst, maar ook vormde dit incident voor SITA de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen.
Het Gerecht overweegt als volgt, waarbij voorop wordt gesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de door SITA gestelde veiligheids- en beveiligingsvoorschriften bestaan en dat [verweerder] daarmee en met de procedureregels zoals hierboven vermeld bekend is. Verder is evenmin in geschil dat de gebeurtenissen die hierboven zijn weergegeven, hebben plaatsgevonden, zodat die komen vast te staan.
Verweerder] heeft ter zitting uitgelegd waarom hij zich op voormelde dagen heeft gedragen op de wijze zoals hij dat heeft gedaan. Wat betreft het incident van 3 maart 2026 heeft [verweerder] aangevoerd dat zich op de dag in kwestie een situatie heeft voorgedaan, waarbij [verweerder] zich genoodzaakt zag de bezoekerspas aan een onbevoegde collega te verstrekken. Gebleken is immers dat de bezoekerspas van één van de twee collega’s, die voor een korte periode uit het buitenland zijn overgekomen om aan een project op de luchthaven te werken, niet gereed was. Hierdoor kon de desbetreffende collega geen toegang verkrijgen tot de werkplekken binnen de beveiligde gebieden van de luchthaven, waaronder de core room, terwijl juist op die locatie werkzaamheden moesten worden uitgevoerd. Omdat het project al vertraagd was en [verweerder] verdere vertraging van het project wilde vermijden, heeft [verweerder] de bezoekerspas van een derde gebruikt om die collega toegang tot de core room te verschaffen, zodat de benodigde werkzaamheden verricht konden worden.
SITA heeft deze door [verweerder] aangevoerde stellingen niet betwist. Die stellingen komen daarom vast te staan. In het licht hiervan is het Gerecht van oordeel dat [verweerder] onder de gegeven omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt. Hoewel [verweerder] in beginsel in strijd heeft gehandeld met de procedureregels met betrekking tot bezoekerspassen, zoals opgenomen in het document aangeduid als “Terminal Safety & Security Training”, terwijl niet is gesteld noch is gebleken dat hij met deze regel niet bekend was, is het Gerecht van oordeel dat sprake was van een bijzondere situatie, waarbij behoefte was aan een snelle en praktische oplossing, voor welke oplossing [verweerder] heeft gezorgd en heeft mogen zorgen. Niet is gebleken dat [verweerder] met een ander doel heeft gehandeld dan het voorkomen van verdere vertraging van het project en het mogelijk maken dat de collega die speciaal voor het project uit het buitenland is overgekomen zijn werkzaamheden kon verrichten. Gelet hierop is het Gerecht van oordeel dat [verweerder] te dezen gehandeld heeft in het belang van SITA. Overigens is gebleken dat zowel [verweerder] als de collega de core room direct hebben verlaten nadat de werkzaamheden verricht waren. Dat het gedrag van [verweerder] niet als dermate ernstig kan worden aangemerkt, blijkt ook uit de wijze waarop AAA op het incident heeft gereageerd. AAA heeft namelijk de luchthavenpas van [verweerder] niet definitief ingetrokken, maar slechts tijdelijk voor de duur van één maand.
Hetzelfde geldt voor het incident dat op 20 maart 2026 heeft plaatsgevonden. Dienaangaande heeft [verweerder] aangevoerd dat zich op die dag een probleem heeft voorgedaan op het werk dat met spoed moest worden opgelost. Op de dag in kwestie is [verweerder] gebeld door een nieuwe collega die zich alleen op de werkplek bevond en vanwege zijn beperkte ervaring geen ondersteuning kon bieden aan een luchtvaartmaatschappij, waarvan het vliegtuig op het punt van vertrekken stond. Om te voorkomen dat de vlucht vertraging zou oplopen, met alle gevolgen van dien voor SITA, heeft [verweerder] een voor de uitvoering van de werkzaamheden benodigd wachtwoord aan deze collega verstrekt en hem daarbij stap voor stap begeleid bij het oplossen van het probleem. Het probleem is vervolgens verholpen, waarna het vliegtuig tijdig kon vertrekken. Ook deze door [verweerder] aangevoerde stellingen heeft SITA niet betwist, zodat die vast komen te staan. Gelet hierop is het Gerecht van oordeel dat [verweerder] ook ten aanzien van dit incident, gelet op de omstandigheden van het geval, geen verwijt kan worden gemaakt. Gebleken is immers dat [verweerder] ook hier in het belang van SITA heeft gehandeld, nu op het werk sprake was van een urgente situatie, waarbij direct handelen noodzakelijk was, met name om eventuele nadelige gevolgen voor SITA te voorkomen. Overigens geldt dat niet is komen vast te staan dat het door [verweerder] aan de desbetreffende collega verstrekte wachtwoord zijn persoonlijke wachtwoord betrof, nu [verweerder] die stelling gemotiveerd heeft betwist en SITA vervolgens nagelaten heeft om haar stelling nader te onderbouwen. Gelet hierop en nu [verweerder] verder onweersproken heeft aangevoerd dat het om een generiek wachtwoord ging, welk wachtwoord door meerdere personen gebruikt kon worden voor de uitvoering van noodzakelijke werkzaamheden, komt niet vast te staan dat [verweerder] vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met een derde waardoor niet gezegd kan worden dat [verweerder] gehandeld heeft in strijd met de geldende procedureregels, zoals die zijn vastgelegd in het document aangeduid als “Disciplinary procedure”.
Nu ten aanzien van het laatste incident van 20 maart 2026 geen sprake is van een schending van de geldende procedureregels en daarmee evenmin van ernstig plichtverzuim, ontbreekt iedere grondslag voor de stelling van SITA dat dit incident de spreekwoordelijke druppel vormde die de (verwijten)emmer deed overlopen. Ook indien veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat de procedureregels wel zijn geschonden, dan nog geldt dat dit niet tot een ander oordeel leidt. Zoals reeds hiervoor is overwogen, kan [verweerder] redelijkerwijs ten aanzien van geen van beide incidenten een verwijt worden gemaakt, zodat van een opeenstapeling van verwijtbare gedragingen geen sprake is. Gelet hierop is het Gerecht van oordeel dat van een dringende reden, die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, geen sprake is. Het primaire standpunt van SITA wordt daarom verworpen.
verandering in de omstandigheden
De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of sprake is van verandering van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen dadelijk dan wel op zeer korte termijn behoort te eindigen. Volgens SITA is hiervan sprake, nu zij het vertrouwen in [verweerder] - vanwege bovenvermelde gedragingen - volledig is kwijtgeraakt.
Anders dan SITA is het Gerecht van oordeel dat van verandering van omstandigheden in de vorm van een rechtens te respecteren vertrouwensbreuk tussen partijen geen sprake is, nu de vermeende vertrouwensbreuk naar het oordeel van het Gerecht op een onjuiste interpretatie van de feiten en de omstandigheden berust. Zoals reeds hiervoor is overwogen, heeft [verweerder] met betrekking tot het laatste incident geen procedureregels geschonden en kan hem ten aanzien van beide incidenten redelijkerwijs geen verwijt worden gemaakt, nu hij in beide gevallen zwaarwegende redenen had om te handelen op de wijze zoals hij heeft gedaan en daarmee het belang van SITA heeft gediend. Het voorgaande brengt mee dat niet geoordeeld kan worden dat bedoelde gedragingen geleid hebben tot een rechtens te respecteren vertrouwensbreuk die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.
De slotsom luidt dat het Gerecht geen gewichtige reden ziet voor ontbinding van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. Het verzoek daartoe van SITA zal daarom worden afgewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die een andersluidend oordeel kunnen dragen.
SITA zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verweerder], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten, tarief 5 ad Afl. 1.250,- per punt).
5 DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
wijst het ontbindingsverzoek van SITA af;
veroordeelt SITA in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verweerder], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,--.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 15 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.