Civiel recht overig

Kort geding schorsing executoriaal beslag ter incasso van verbeurde dwangsommen. Misbruik van bevoegdheid?…

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 21 september 2026

Zaakgegevens

Op 21 september 2026 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Datum uitspraak
21 september 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
CUR202602308
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:OGEAC:2026:203
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding schorsing executoriaal beslag ter incasso van verbeurde dwangsommen. Misbruik van bevoegdheid? Vordering tot schorsing wordt toegewezen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202602308

Datum beslissing: 21 september 2026

Vonnis in kort geding

in de zaak van

1 [eiser],

2. [eiseres],

beiden wonend in Curaçao,

hierna ook: ‘[eiser]’ en ‘[eiseres]’,

3. M&A FINANCIAL SERVICES N.V.,

gevestigd in Curaçao,

eisers,

gemachtigde: mr. A.C. Small,

tegen

1 [gedaagde],

wonend in Curaçao,

hierna ook: ‘[gedaagde]’,

2. de besloten vennootschap

LMS (LEGAL & MANAGEMENT SOLUTIONS) B.V.,

gevestigd in Curaçao,

hierna ook: ‘LMS’,

gedaagden,

gemachtigde: mr. U. van Bemmelen,

1 Het procesverloop

1.1.

De processtukken in de procedure zijn:

  • het verzoekschrift met producties, ingekomen op 6 juli 2026

  • een aanvullende productie 18 van eisers

  • producties 1 – 23 van gedaagden

  • de spreekaantekeningen van partijen.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2026, met de rechter en griffier online vanuit Sint Maarten. Partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun advocaten.

1.3.

De datum voor de beslissing is uiteindelijk bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis in kort geding van 28 januari 2026 gewezen in een procedure tussen eisers en gedaagden, zijn eisers veroordeeld tot verwijdering en rectificatie van een aantal lasterlijke of onjuiste uitlatingen over [gedaagde] op de Facebookpagina van [eiseres], onder verbeurte van een dwangsom. De veroordeling luidt als volgt:

5.1.

beveelt [eiser] c.s. (eisers, toevoeging Gerecht) om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de uitlatingen op Facebook van 2 november 2025 zoals genoemd onder 2.14 en 2.15 van dit vonnis te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Cg. 5.000,00 per dag tot een maximum van

Cg 100.000 als [eiser] c.s. niet aan dit bevel voldoet;

5.2.

beveelt [eiser] c.s. om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis een bericht te plaatsen op de Facebook pagina’s van [eiser] en [eiseres] met de volgende inhoud:

“DIT IS EEN RECTIFICATIE: Op grond van een kort geding vonnis d.d. 28 januari 2026 ben ik door het Gerecht in Eerste Aanleg te Curaçao veroordeeld om eerdere Facebookberichten van 2 november 2025 omtrent [gedaagde] te verwijderen wegens feitelijke onjuistheden en lasterlijke uitlatingen.”

(…)

2.3.

Op 30 januari 2026 is het vonnis aan gedaagden betekend, waarna de betreffende uitingen van de Facebookpagina van [eiseres] zijn verwijderd en, anders dan in het vonnis bepaald, in eerst instantie uitsluitend op de Facebookpagina van [eiseres] een rectificatie is geplaatst.

2.4.

In een e-mail van 6 februari 2026 hebben gedaagden aan [eiser] laten weten dat hij niet volledig aan het vonnis had voldaan omdat de rectificatie niet op zijn Facebookpagina was geplaatst. Volgens gedaagden zou hij daardoor al Cg 70.000,00 aan dwangsommen hebben verbeurd.

2.5.

Daarna heeft [eiser] op 9 februari 2026 alsnog de rectificatie op zijn Facebookpagina geplaatst. Deze rectificatie is alleen zichtbaar voor ‘vrienden’.

2.6.

Op dezelfde dag, op 9 februari 2026, schreef [eiser] in een brief aan (de advocaat van) gedaagden dat gedaagden het vonnis verkeerd uitleggen. Volgens hem zou het vonnis hem niet verplichten om ook op de eigen Facebookpagina een rectificatie te plaatsen. Zijn betoog in die brief komt erop neer dat uit de wet zou volgen dat een rectificatie uitsluitend hoeft te worden geplaatst op het medium waarin het te rectificeren bericht stond. Omdat het bericht niet op zijn Facebookpagina stond, hoefde hij de rectificatie daarop niet te plaatsen. Daardoor zou hij, anders dan gedaagden menen, geen dwangsommen hebben verbeurd.

2.7.

Ook op 9 februari 2026, heeft [eiser] aan het Gerecht verzocht om herstel van het vonnis wegens een kennelijke fout. In het vonnis zou ten onrechte zijn bepaald dat de rectificatie ook op zijn Facebookpagina zou moeten worden geplaatst. Het verzoek is door de rechter afgewezen met de overweging dat geen sprake is van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 66 Rv.

2.8.

Bij exploot van 2 maart 2026 hebben gedaagden beslag gelegd op de woning van [eiser] voor een vordering van Cg 100.000,00 aan dwangsommen. De executie is uitsluitend aangezegd aan [eiser]. De executie heeft daarom uitsluitend op hem betrekking.

3 De vordering

3.1.

Eisers vorderen primair het beslag op de woning van [eiser] op te heffen en gedaagden te bevelen het beslag in de registers door te halen, althans gedaagden te verbieden het beslag uit te winnen en/of andere of nadere executoriale maatregelen te treffen die kunnen leiden tot gedwongen verkoop van de woning, althans de executie van het beslag te schorsen, nu eisers geen bevel hebben overtreden, dan wel omdat de executie van dwangsommen misbruik van recht oplevert. Subsidiair vorderen zij eerst te beoordelen welk bedrag aan dwangsommen daadwerkelijk is verbeurd en dan de eventueel verbeurde dwangsommen te matigen tot nihil, althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag. Meer subsidiair vorderen eisers dat het gedaagden wordt verboden de executie voort te zetten totdat rechterlijke duidelijkheid bestaat.

3.2.

Aan hun vordering leggen eisers, voor zover hier van belang, ten grondslag dat zij hebben voldaan aan de veroordelingen in het vonnis van 28 januari 2026, waardoor geen dwangsommen zijn verbeurd.

3.3.

Gedaagden voeren verweer. Zij stellen dat eisers niet tijdig, en nog steeds niet volledig, aan de veroordelingen in het genoemde vonnis hebben voldaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 438 Rv kan degene tegen wie een vonnis wordt geëxecuteerd in een kortgeding schorsing van de tenuitvoerlegging daarvan vorderen. In dit geval is dat uitsluitend [eiser], omdat de executie alleen tegen hem is gericht. Weliswaar kunnen ook derden die daarbij belang hebben om een schorsing verzoeken, maar gesteld noch gebleken is dat [eiseres] en/of M&A als derden in die zin belanghebbenden zijn. Voor [eiseres] geldt dat weliswaar de door haar aangevoerde omstandigheid dat zij (met [eiser]) in de te executeren woning woont, maar daarmee is zij in dit verband nog geen belanghebbende. Een schuldeiser moet zich in beginsel op de eigendommen van een schuldenaar kunnen verhalen, ongeacht een dergelijk persoonlijk belang. De conclusie is dan ook dat [eiseres] en M&A in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn.

4.2.

In een kort geding over de tenuitvoerlegging van een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, zoals hier het geval, geldt dat schorsing alleen kan worden uitgesproken indien de (verdere) uitvoering misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 lid 1 BW) oplevert (HR 20 december 2029; ECLI:NL:HR:2029:2026).

4.3.

Artikel 3:13 lid 1 BW bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen voor zover hij haar misbruikt. Ingevolge het tweede lid van artikel 3:13 BW is van misbruik in ieder geval sprake als (a) een bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden, of (b) een bevoegdheid wordt uitgeoefend met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, of (c) in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kan worden gekomen. De rechter is terughoudend bij het aannemen van misbruik van bevoegdheid.

4.4.

Naar voorshands oordeel van het Gerecht levert het tenuitvoerleggen van het vonnis van 28 januari 2026 voor wat betreft de dwangsommen misbruik van bevoegdheid op, in de zin van de hiervoor onder (a), (b) en (c) vermelde gronden. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.5.

De veroordeling in het vonnis is duidelijk over waartoe eisers waren verplicht, namelijk, voor zover hier van belang, het plaatsen van een rectificatie op de Facebookpagina van [eiseres] én die van [eiser]. Anders dan [eiser] aanvankelijk betoogde in zijn onder randnummer 2.6 genoemde brief, kan een rectificatie zich ook uitstrekken tot andere media dan waarop het te rectificeren bericht is geplaatst. Op grond van artikel 6:167 lid 1 BW kan de rechter aan iemand die een onjuiste mededeling doet hem tot een rectificatie verplichten op een door hem aan te geven wijze. Hieruit volgt geen beperking tot het medium waarop het te rectificeren bericht is geplaatst. Dit laat echter onverlet dat een openbaarmaking van een rectificatie, althans een veroordeling daartoe, doorgaans beperkt is tot het medium waarin of waarop de onjuiste mededelingen zijn geplaatst. Hierdoor is niet onbegrijpelijk dat [eiser] in eerste instantie meende dat de veroordeling tot het plaatsen van een rectificatie op ook zijn eigen Facebookpagina op een vergissing berustte, te meer omdat daaraan in het vonnis geen specifieke overweging is gewijd. Uiteraard is het niet aan [eiser] om te beslissen of en in hoeverre hij aan een veroordelend vonnis uitvoering dient te geven, maar van belang is wel dat [eiser] slechts enkele dagen nadat hij daarover door de advocaat van gedaagden werd aangeschreven, alsnog de rectificatie op zijn Facebookpagina heeft geplaatst. Het doel van de in de brief van de advocaat al aangezegde dwangsommen, namelijk een prikkel tot nakoming, was daarmee bereikt. Het nu nog executeren of incasseren van dwangsommen dient dan ook geen enkel redelijk doel. Het zou uitsluitend een punitieve uitwerking hebben terwijl een redelijke aanleiding daarvoor ontbreekt. [eiser] heeft immers relatief snel nadat hij daarover is aangeschreven, alsnog (volledig) aan de veroordeling voldaan. Daarbij komt dat het bij een rectificatie zoals hier aan de orde, niet aankomt op een dag of wat. Niet aannemelijk is dat gedaagden door de beperkte vertraging die hierbij is opgetreden, zijn benadeeld. Gedaagden hebben dan ook geen belang bij het nu nog executeren van dwangsommen. In redelijkheid kunnen zij dan ook niet tot uitoefening daarvan komen.

4.6.

Tot slot hebben gedaagden aangevoerd dat de rectificatie op de Facebookpagina van [eiser] niet voor iedereen leesbaar is; deze is uitsluitend zichtbaar voor ‘vrienden’. Daarom heeft [eiser], naar hun inzicht, nog steeds niet volledig aan het vonnis voldaan. Ter zitting stelde [eiser] zich niet bewust te zijn van deze, door gedaagden voor het eerst op zitting aangevoerde, omstandigheid. Hij gaat ervan uit dat dit komt door zijn instellingen op Facebook, waaraan hij, naar hij stelt, niets heeft gewijzigd. Het Gerecht overweegt hierover dat in de veroordeling in het vonnis niet staat wat het bereik van de Facebookpagina moet zijn. Voorshand oordelend, moet het vonnis daarom zo worden begrepen dat voor het plaatsen van de rectificatie het bestaande bereik van de Facebookpagina niet hoeft te worden aangepast of uitgebreid. Uiteraard is het niet de bedoeling dat het bereik voor een rectificatie als de onderhavige wordt beperkt, maar gesteld noch gebleken is dat daarvan in dit geval sprake is geweest.

4.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat de primaire vordering zal worden toegewezen, althans uitsluitend waar het [eiser] betreft. Daarmee wordt niet meer toegekomen aan beoordeling van de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen.

4.8.

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [eiser] begroot op Cg 450,00 voor het griffierecht en Cg 1.000,00 aan salaris advocaat. Door de vrijwillige verschijning van gedaagden zijn er geen deurwaarderskosten gemaakt.

5 De beslissing

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding,

5.1.

verklaart [eiseres] en M&A niet ontvankelijk in hun vordering,

5.2.

schorst het beslag op de woning van [eiser] en beveelt gedaagden het beslag in de registers door te halen.

5.3.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een zal hebben betaald de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] begroot op Cg. 1.450,00,

5.4.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.