Civiel recht overig
Gevolgen voor de inhoud van een overeenkomst die is aangemerkt op grond van de Deliveroo-criteria als een…
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 18 september 2026
ECLI:NL:OGEAM:2026:139 · Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten · 18 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerecht-in-eerste-aanleg-van-sint-maarten/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-ogeam-2026-139
Zaakgegevens
Op 18 september 2026 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Datum publicatie
- 30 oktober 2026
- Zaaknummer
- SXM202600379
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGEAM:2026:139
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Gevolgen voor de inhoud van een overeenkomst die is aangemerkt op grond van de Deliveroo-criteria als een arbeidsovereenkomst. Vergoeding in de aanvankelijk bedachte overeenkomst van opdracht wordt een bruto door de opdrachtgever/werkgever te betalen vergoeding. Werkgever kan daarop in mindering brengen de inhoudingen voor belastingen en premies, alsmede de andere werkgeverslasten. Verwijzing naar de rol voor onder meer een akte uitlaten daarover.
Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202600379
beschikking d.d. 18 september 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in Sint Maarten,
verzoeker,
gemachtigde: mr. C.H.J. Merx,
tegen
de naamloze vennootschap GP REAL ESTATE N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
verweerster,
gemachtigde: mr. A. Richardson,
Partijen zullen hierna [verzoeker] en GP worden genoemd.
1 Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het volgende:
-
de tussenbeschikking van 8 juli 2026
-
de akte van [verzoeker]
-
de antwoordakte van GP.
Ten slotte is de datum voor de beslissing bepaald op vandaag.
2 De verdere beoordeling
In de tussenbeschikking van 8 juli 2026 is beslist dat de overeenkomst tussen partijen moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.
Vervolgens heeft [verzoeker], daartoe in het vonnis in de gelegenheid gesteld,
een akte genomen, waarin hij verduidelijkt dat hij de overeenkomst niet wil aanmerken als te zijn beëindigd, met andere woorden wil hij dat deze voortduurt. In verband daarmee vordert hij een loon(door)betaling vanaf 26 november 2025, de datum tot wanneer GP de overeengekomen maandelijkse vergoeding – thans aangemerkt als loon – heeft betaald. Volgens hem moet voor de hoogte daarvan van een USD 3.000,00 netto worden uitgegaan, gelijk aan het bedrag dat hij altijd maandelijkse kreeg.
GP heeft een antwoordakte genomen. Daarin wijst zij erop dat
[verzoeker] volgens zijn eigen verklaring op zitting, in de tussentijd elders heeft gewerkt. Volgens haar heeft hij zich daarmee jegens GP niet beschikbaar gehouden voor werk, waardoor hem over de betreffende periode geen loon zou toekomen. Verder stelt zij dat het haar door de onduidelijke vordering aan het begin van deze procedure niet duidelijk was dat [verzoeker] nog bij haar wilde werken. Verder wijst zij erop dat bij de overeengekomen maandelijkse vergoeding van USD 3.000,00, partijen ervan uitgingen dat [verzoeker] daarover nog belasting moest betalen. Nu sprake is van een arbeidsovereenkomst is het GP die als werkgever nog belastingen en premies moet inhouden. De nettobetaling aan [verzoeker] moet daarop worden aangepast. Tot slot wijst GP erop dat de arbeidsovereenkomst hoe dan ook op 16 september 2026 is geëindigd gelet op het bepaalde in art. 7:668 BWSM, op grond waarvan een stilzwijgende verlenging van een arbeidsovereenkomst nooit langer is dan voor een jaar.
In het laatste wordt GP gevolgd. Ingevolge artikel 7:688 lid 1 BWSM
wordt een overeenkomst voor bepaalde tijd, zonder tegenspraak voortgezet voor dezelfde tijd, doch telkens voor ten hoogste van een jaar. Zoals in het tussenvonnis van 7 mei 2026 overwogen, heeft GP tot en met 26 november 2025 aan [verzoeker] de overeengekomen maandelijkse vergoeding van USD 3.000,00 betaald waarmee zij de overeenkomst na ommekomst van de overeengekomen termijn van een jaar, op 16 september 2025 heeft voortgezet. Dat betekent dat de overeenkomst, thans arbeidsovereenkomst, nu beschouwd moet worden als te zijn geëindigd op 16 september 2026.
GP heeft tot en met 26 november 2025 het loon betaald, waarmee zij nog
verschuldigd is het loon vanaf die datum tot aan 16 september 2026. Allicht heeft [verzoeker] in die periode elders werkzaamheden verricht. Anders dan GP doet, kan dat [verzoeker] niet worden tegengeworpen, immers moest hij intussen in zijn bestaan voorzien. Echter, zijn inkomsten daaruit dienen te worden afgetrokken van wat GP hem in beginsel nog als loon is verschuldigd. [verzoeker] zal in een akte moeten aangeven, met bescheiden onderbouwd, waar hij in die periode heeft gewerkt en hoeveel hij daar netto aan heeft overgehouden. De zaak zal daarvoor naar de (arbeids)rol worden verwezen. Aan GP kan worden toegegeven dat [verzoeker] met zijn vorderingen in zijn verzoekschrift niet heel duidelijk was, maar anders dan GP betoogt kan daaruit, naar het oordeel van het Gerecht, niet worden afgeleid dat hij zich jegens GP niet beschikbaar heeft gehouden voor werk. Het is tenslotte GP geweest die [verzoeker] niet meer voor haar wilde laten werken.
Voor wat GP nog aan achterstallig loon is verschuldigd, zal het Gerecht
uitgaan van een loon van USD 3.000,00. Dit is een brutoloon, immers anders dan eerst, dient GP daarover als werkgever de voorgeschreven belastingen en premies in te houden. GP heeft een aantal berekeningen overgelegd (productie 11) waaruit blijkt welke inhoudingen zij moet doen. Zij moet zich echter nog uitlaten over de hoogte van de werkgeversbijdragen. Zij noemt deze werkgeversbijdragen wel, maar deze zijn niet zichtbaar in de genoemde berekeningen. Ook voor dit uitlaten zal de zaak naar de arbeidsrol worden verwezen.
3 De beslissing
Het Gerecht,
verwijst de zaak naar de arbeidsrol van 9 oktober 2026 voor een akte zijdens [verzoeker] zoals onder 2.5 bedoeld, alsmede voor een akte zijdens GP zoals onder 2.6 bedoeld (beide akten P1);
bepaalt dat partijen op een daarna te bepalen rolzitting een antwoordakte kunnen nemen.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. Veerman, rechter, en in het bijzijn van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.