Civiel recht overig

Vordering van de man tot materiële en immateriële schadevergoeding als gevolg van de onrechtmatige verhuizing…

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 29 september 2026

Zaakgegevens

Op 29 september 2026 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Datum uitspraak
29 september 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
SXM202400262
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:OGEAM:2026:141
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vordering van de man tot materiële en immateriële schadevergoeding als gevolg van de onrechtmatige verhuizing van de vrouw met de kinderen van Sint Maarten naar Zuid-Afrika (kinderontvoering). De vordering wordt deels toegewezen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202400262

Vonnis d.d. 29 september 2026

inzake

[eiser],

wonende in Sint Maarten,

eiser,

gemachtigde: mr. J. Veen,


tegen

[gedaagde],

wonende in Zuid-Afrika,

gedaagde,

gemachtigde: mr. N. Joubert en J. Rogers.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

  • het inleidend verzoekschrift met producties, op 20 februari 2024 ter griffie ingediend;

  • het bevoegdheidsincident en de daarin gegeven beslissing van

17 februari 2026

  • de conclusie van antwoord;

  • de aanvullende producties 3-17 van de zijde van de vrouw.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 27 mei 2026 plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen (de vrouw via videoverbinding) en hun gemachtigden. Partijen hebben ter zitting hun standpunten, mede aan de hand van door hen overgelegde pleitaantekeningen, (nader) toegelicht.

1.3.

Vonnis is uiteindelijk bepaald op heden.

2 Samenvatting van de zaak

De onderhavige procedure betreft een schadevordering van de man als gevolg van het meenemen door de vrouw van de drie minderjarige kinderen van partijen naar Zuid-Afrika om aldaar te gaan wonen, zonder dat de man daarvoor toestemming heeft gegeven. De vordering wordt deels toegewezen.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn op [dag/maand] 2015 met elkaar gehuwd in Zuid-Afrika. Partijen hebben drie minderjarige kinderen, over wie zij het gezamenlijk gezag uitoefenen. Het gaat om [kind 1], geboren op [dag/maand] 2012, en [kind 2] en [kind 3], beiden geboren op [dag/maand] 2013.

3.2.

Vanaf 2019 woonden partijen in Sint Maarten.

3.3.

Op 30 oktober 2022 is de vrouw met de kinderen zonder medeweten en toestemming van de man vertrokken naar Zuid-Afrika, alwaar zij sindsdien woont. De man woont nog op Sint Maarten.

3.4.

Op 16 januari 2023 heeft het Gerecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, onder aanhouding van de beslissing over de verzochte nevenvoorzieningen. De beschikking is op 6 februari 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.5.

Bij beslissing van 8 maart 2023 heeft The High Court of South Africa, Gauteng Local Division, Pretoria (hierna: The High Court te Pretoria) kort gezegd beslist dat de kinderen voorlopig aan de vrouw worden toevertrouwd en dat een forensisch psychologisch onderzoek zal worden uitgevoerd naar de ouders en de kinderen. Verder is een curator ad litim benoemd voor de drie kinderen, met de opdracht om onderzoek te doen en rapport uit te brengen over het belang van de kinderen. Tot slot is bepaald dat de kosten van de klinisch psycholoog en de curator door ieder van partijen voor de helft dienen te worden gedragen of betaald, voorts dat iedere partij zijn eigen kosten van de procedure draagt.

3.6.

Op 31 augustus 2023 is door The High Court te Pretoria een vervolgbeslissing gegeven waarin is beslist dat partijen gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen, de kinderen in therapie blijven bij de klinisch psycholoog en dat het werk van de curator ad litim zal worden voortgezet. De kosten in dat verband dienen partijen ieder voor de helft te dragen of te betalen. Ook in deze beslissing is bepaald dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt.

3.7.

In een beschikking van 20 november 2023 heeft het Gerecht over de hoofdverblijfplaats van de kinderen overwogen dat het het meest in het belang van de kinderen is dat zij bij hun moeder in Zuid-Afrika blijven. Aannemelijk is dat een terugverhuizing van de kinderen naar Sint Maarten hen (verder) zal beschadigen en dat een terugverhuizing ook niet ten goede zal komen aan de band tussen de kinderen met hun vader. In de beslissing is bepaald dat de gewone verblijfplaats (hoofdverblijf) van de kinderen bij de vrouw in Zuid-Afrika zal zijn. Ook in deze beslissing is bepaald dat dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt.

3.8.

In een beslissing van 22 maart 2024 van The High Court te Pretoria is de man in verband met een aantal daarin beschreven, en daarin als ontoelaatbaar geduide, handelingen en gedragingen veroordeeld tot een punitive cost order inhoudende dat hij alle kosten van de procedure en de daarin gemaakte kosten van de deskundige moet betalen.

4 De vordering

4.1.

De man vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van de vrouw tot betaling van EUR 255.020,30 aan materiele schade en EUR 25.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2024 tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten. Daarnaast wil de man, zoals hij tijdens de comparitie van partijen voor het eerst heeft aangegeven, vergoeding van toekomstige schade die, voor zover deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, op grond van artikel 6:97 BW geschat moet worden.

4.2.

De man grondt zijn vordering op een onrechtmatig handelen van de vrouw dat daarin is gelegen dat zij de kinderen zonder zijn medeweten en toestemming naar Zuid-Afrika heeft meegenomen. Daarmee heeft zij de kinderen feitelijk aan zijn gezag onttrokken. Door deze verhuizing is de echtscheidingsprocedure nodeloos ingewikkeld geworden. Er liep al een echtscheidingsprocedure in Sint Maarten en door dit vertrek moest er opeens in Zuid-Afrika worden geprocedeerd met alle kosten van dien. De man stelt dat hij voor deze procedure EUR 107.904,26 aan advocaatkosten heeft moeten maken. Daarnaast heeft hij EUR 4.193,56 moeten betalen voor psychologische hulp voor de kinderen. Verder heeft hij EUR 71.516,08 aan reis- en verblijfkosten gehad in verband met het bijwonen van de zittingen en voor het opzoeken van de kinderen in Zuid-Afrika. Tot slot heeft hij EUR 66.755,72 moeten betalen voor de huur van de voormalige echtelijke woning. Hoewel hij zelf niet meer in de woning woonde, heeft hij deze na het vertrek van de vrouw met de kinderen van Sint Maarten een tijdje moeten aanhouden om het perspectief te behouden op een mogelijke terugkeer van de kinderen. De hele situatie rondom het vertrek van de kinderen heeft, naar de man stelt, geleid tot gevoelens bij hem van machteloosheid, stress en verdriet. In dat verband vordert hij, met een verwijzing naar de in de ‘Rotterdamse schaal’ opgenomen criteria ter zake kinderontvoering, het in dit verband door hem genoemde bedrag van EUR 25.000.

4.3.

De vrouw voert verweer. Zij had goede redenen om met de kinderen naar Zuid-Afrika te vertrekken. De situatie met de man was niet veilig en zij bevond zich met de kinderen in een uitzichtloze situatie. Daardoor konden zij en de kinderen niet langer op Sint Maarten blijven. Zij heeft de man na haar aankomst in Zuid-Afrika geïnformeerd over de verblijfplaats van de kinderen en hem de mogelijkheid gegeven om met de kinderen te spreken, al dan niet telefonisch. Daardoor is, anders dan de man stelt, van een onttrekking aan het gezag geen sprake. Zij voert aan dat van een kinderontvoering ex artikel 2:246 Sr SM geen sprake is, en dat zij voor een dergelijk misdrijf ook niet is vervolgd. Van onrechtmatig handelen in dit verband is daarom geen sprake. Ook in zijn algemeenheid heeft zij met haar handelen geen zorgvuldigheidsnorm geschonden. Als daarover al anders zou worden geoordeeld, is van belang dat ter zake van de door de man gevorderde schade niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste. Het verbod van kinderontvoering heeft volgens haar niet de strekking om de andere ouder met gezag, te beschermen tegen de schade zoals door de man gevorderd. Daarnaast betwist de vrouw op onderdelen het causaal verband tussen de gevorderde schade en haar vertrek naar Zuid-Afrika.

5 De beoordeling

Onrechtmatig handelen

5.1.

Het Gerecht overweegt als volgt. Vast staat dat de vrouw de kinderen zonder toestemming van de man met gezag, en dus ongeoorloofd, heeft meegenomen naar Zuid-Afrika. De door de vrouw aangevoerde redenen rechtvaardigen haar handelen niet, zelfs als haar stellingen over de gedragingen van de man tijdens het huwelijk, die door de man worden betwist, zouden komen vast te staan. Het had in dat geval op haar weg gelegen om alhier de justitiële autoriteiten te betrekken en het Gerecht om toestemming voor verhuizing te verzoeken. De vrouw heeft dit echter niet gedaan en heeft haar eigen plan getrokken.

5.2.

Aan de onrechtmatigheid van dit handelen doet niet af dat uiteindelijk in rechte is bepaald dat de gewone verblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn. Die beslissing is immers het gevolg van de omstandigheid dat aannemelijk is dat een terugverhuizing van de kinderen naar Sint Maarten hen (verder) zou beschadigen, terwijl zij inmiddels hun plek in Zuid-Afrika gevonden leken te hebben. Het zegt dus niets over de onrechtmatigheid van het meenemen van de kinderen naar Zuid-Afrika.

5.3.

Ook anders dan de vrouw stelt, doet aan de onrechtmatigheid van haar handelen niet af dat zij hiervoor niet strafrechtelijk is vervolgd. Het meenemen van de kinderen zonder medeweten en toestemming van de man is in zijn algemeenheid onzorgvuldig, en daarmee onrechtmatig jegens hem. Met het meenemen van de kinderen heeft de vrouw de kinderen niet alleen (feitelijk) aan het gezag van de man onttrokken, maar heeft zij hem en de kinderen ook beperkt in de mogelijkheden tot omgang met elkaar, dit in strijd met artikel 8 EVRM (recht op family life).

Advocaatkosten en psychologische begeleiding

5.4.

De vrouw is op grond van artikel 6:162 BW verplicht om de schade die de man als gevolg van haar onrechtmatig handelen heeft geleden te vergoeden. Daarbij geldt dat op grond van artikel 6:163 BW geen verplichting tot schadevergoeding bestaat wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen schade zoals de benadeelde heeft geleden. In dat verband stelt de vrouw dat de door de man gevorderde vergoeding voor zijn advocaatkosten en kosten voor psychologische begeleiding van de kinderen geen schade is waartegen de geschonden norm bescherming beoogt te bieden. Een oordeel over deze stelling kan echter in het midden blijven omdat vergoeding voor deze schade al niet toewijsbaar is omdat

The High Court te Pretoria daarover eerder al heeft geoordeeld. The High Court te Pretoria heeft in eerste instantie beslist dat deze kosten door partijen gelijkelijk betaald of gedragen moeten worden, en uiteindelijk beslist dat deze geheel voor rekening komen van de man. Deze beslissing is voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Sint Maarten vatbaar, waardoor aan het Gerecht geen bevoegdheid meer toekomt om daarover te beslissen.

Reis- verblijfkosten

5.5.

Het voorgaande geldt niet voor de reis- en verblijfkosten die de man heeft moeten maken voor zijn reizen naar Zuid-Afrika. Een dergelijke vordering lag niet eerder in rechte voor.

5.6.

Het oordeel over deze kosten is dat deze het rechtstreekse en voorzienbare gevolg zijn van het hiervoor beschreven onrechtmatig handelen door de vrouw. Door dit handelen volgde er voor The High Court te Pretoria een procedure over, onder meer, gezag en omgang en het hoofdverblijf van de kinderen. Zonder dat handelen zou die procedure niet hebben plaatsgevonden, en had de man daarvoor niet meerdere keren naar Zuid-Afrika hoeven te reizen. De met het handelen geschonden norm is mede gelegen in het in artikel 8 EVRM besloten recht op family life. De reis- en verblijfkosten ter verdediging van dit recht in de procedure in

Zuid-Afrika is schade die, naar het oordeel van het Gerecht, in het beschermingsbereik ligt van die norm. Hetzelfde geldt voor de kosten die de man heeft moeten maken om de kinderen in Zuid-Afrika op te zoeken. Ook deze kosten had hij niet hoeven te maken als de vrouw niet met de kinderen naar Zuid-Afrika was gegaan. Daaraan doet niet af dat uiteindelijk in rechte is bepaald dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw in Zuid-Afrika zal zijn. Als de vrouw de kinderen niet had meegenomen naar Zuid-Afrika zou een andere beslissing zijn gegeven, althans zou hooguit zijn beslist dat de gewone verblijfplaats van kinderen bij de vrouw zou zijn, maar dat zou in dat geval dan wel een verblijf- of woonplaats in Sint Maarten zijn geweest.

5.7.

De vrouw heeft niet bestreden dat de man de door hem opgevoerde reis- en verblijfkosten heeft gemaakt. Wel heeft zij aangevoerd dat de man businessclass vliegt en in vijfsterrenhotels verblijft, en dat dat wel wat minder kan. Ook geeft zij aan dat de man zijn reizen naar Zuid-Afrika heeft kunnen combineren met andere zaken in dat land. Zo zou hij een vriendin en een aantal bedrijven hebben in

Zuid-Afrika. De vrouw verzuimt echter om concreet aan te geven wat het aan de door haar gestelde feiten te verbinden gevolg moet zijn voor wat betreft de hoogte van de schade. Het Gerecht gaat aan de verweren van de vrouw dan ook voorbij, als zijnde onvoldoende concreet. Toewijsbaar is in dit verband, zoals gevorderd, een bedrag van EUR 71.516,08.

Toekomstige reis- verblijfkosten

5.8.

De man stelt dat hij in de toekomst nog kosten zal hebben voor het opzoeken van zijn kinderen in Zuid-Afrika. Deze stelling en vermeerdering van zijn vordering heeft hij pas voorgedragen tijdens de comparitie van partijen, hetgeen dus neerkomt op een eisvermeerdering. Van de zijde van de vrouw is daarop nog niet gereageerd, echter een reactie van haar kant is niet nodig. De vordering is namelijk al niet toewijsbaar, omdat deze onvoldoende is bepaald. De man heeft zijn op dit onderdeel vermeerderde vordering, op geen enkele wijze concreet gemaakt. Hij verzoekt zijn vordering op grond van artikel 6:97 BW te schatten als deze niet concreet kan worden vastgesteld, maar dat kan hem niet helpen. Hij verzuimt een bedrag te noemen of ook maar aan te geven waarvan bij het schatten van zijn schade moet worden uitgegaan.

Huurkosten

5.9.

De kosten voor het langer moeten huren van de echtelijke woning kunnen worden aangemerkt als het rechtstreekse gevolg van het meenemen van de kinderen naar Zuid-Afrika. Ook kunnen deze kosten worden aangemerkt als schade waarvoor artikel 8 EVRM bescherming beoogt te bieden, althans zijn deze aan te merken als in redelijkheid te maken kosten in het kader van een vordering tot opheffing van een schending van die norm. De man heeft aangevoerd dat hij de woning nog enige tijd heeft willen aanhouden om de mogelijkheid te behouden om de kinderen naar hun vertrouwde woonomgeving terug te laten keren. Daarmee zou zijn vordering tot terugkeer van de kinderen naar Sint Maarten meer kans van slagen hebben. Het oordeel daarover is dat de man deze huurkosten ook zou hebben gehad als de vrouw met de kinderen in Sint Maarten was gebleven. Bij gebreke van een oorzakelijk (causaal) verband met het onrechtmatig handelen door de vrouw, zal ook dit deel van de vordering worden afgewezen.

Immateriële schadevergoeding

5.10.

De man vordert immateriële schadevergoeding op grond van

artikel 6:106 lid 1 sub b BW. De man heeft een verklaring overgelegd van zijn huisarts waaruit blijkt dat hij erg veel last heeft gehad van het feit dat zijn kinderen van hem zijn weggenomen en dat hij nog steeds als een berg opziet tegen de gevolgen daarvan op lange termijn. Hij wijst op het feit dat hij zijn kinderen niet kan zien opgroeien en dat hij van de ene op andere dag nog maar zeer sporadisch contact met hen heeft. Daardoor ervaart hij gevoelens van machteloosheid en van falen als vader. Hij stelt dat hij daardoor psychische schade heeft opgelopen. Ter onderbouwing van de door hem in dit verband gevorderde schadevergoeding verwijst hij naar de Rotterdamse schaal’.

5.11.

De vrouw zegt niets van het verhaal van de man te geloven. Toen het gezin nog onder één dak woonde bekommerde de man zich nauwelijks om de kinderen. Alleen na aandringen van de vrouw heeft de man sporadisch de kinderen van school gehaald. De verklaring van de huisarts is onvoldoende om psychisch letsel aan te nemen. De man geeft niet om de kinderen, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat hij tot op heden geen alimentatie betaalt. Het is volgens haar dan ook ongeloofwaardig dat de man geestelijk letsel heeft opgelopen.

5.12.

Het oordeel van het Gerecht hierover is als volgt. Op grond van

artikel 6:106 lid 1 sub b BW heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij, voor zover hier van belang, lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van het laatste kan sprake zijn als de aard en de ernst van de normschending zodanig is dat de aantasting in de persoon uit die omstandigheden zelf kan worden aangenomen. De aanwezigheid van psychisch letsel is daarvoor geen vereiste. Het Gerecht is van oordeel dat hier sprake is van een zodanige aantasting dat de man als benadeelde aanspraak heeft op immateriële schadevergoeding. Daarbij gaat het niet alleen om de beperking van de mogelijkheden tot gezagsuitoefening en de omgang met de kinderen, maar ook om de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden en wat volgde in de jaren daarna. De man kwam van een reis naar het buitenland terug op Sint Maarten. Na aankomst op het vliegveld ging hij nietsvermoedend naar de voormalige echtelijke woning om de vrouw en zijn kinderen te zien en zijn auto op te halen. Daar aangekomen, moest hij constateren dat iedereen verdwenen was. Alleen de hond was thuis. Er kwam niemand thuis. Niet die middag of avond en ook niet de volgende dag. Telefonisch kon de man geen contact meer met de vrouw krijgen. Na enkele dagen bleek dat de vrouw en de kinderen naar Zuid-Afrika waren gevlogen. In de jaren daarna verliep het contact met de kinderen bijzonder moeizaam of was dat zelfs onmogelijk. De door The High Court te Pretoria benoemde curator ad litim rapporteerde in dat verband dat de vrouw de kinderen zodanig opzette tegen de man dat dit kon worden aangemerkt als een ouderverstoting. Naar aanleiding daarvan heeft The High Court te Pretoria in een van zijn beslissingen overwogen, dat als de man in Zuid-Afrika zou wonen, serieus zou worden overwogen om te bepalen dat de gewone verblijfplaats van de kinderen bij de man zal zijn.

5.13.

Voor de hoogte van de door de man gevorderde vergoeding verwijst hij naar de ‘Rotterdamse Schaal’. In de daarop betrekking hebben richtlijn worden bij het opzettelijk onttrekken van een kind aan het ouderlijk gezag als relevante factoren aangemerkt de duur van de onttrekking, de bestemming van de onttrekking, de omstandigheden waaronder de onttrekking plaatsvond, de leeftijd van het kind, de mate van contact met het kind en/of de kennis over diens situatie na de onttrekking en de aard en de ernst van de gevolgen voor de benadeelde. In de meest ernstige vorm dient dit te leiden tot een vergoeding tussen de EUR 10.000,00 en

EUR 35.000,00. Dit volgend, wordt de door de man gevorderde vergoeding, die in hoogte overigens niet is bestreden, door het Gerecht als passend beoordeeld. De duur van de onttrekking is aanzienlijk geweest, de bestemming van de onttrekking ligt ver van Sint Maarten, de onttrekking was onaangekondigd en abrupt en de kinderen waren ten tijde van de onttrekking behoorlijk jong (destijds 9 en 10). Daarbij komt dat de mate van contact van de man met de kinderen na de onttrekking zeer beperkt is geweest en de aard en ernst van de gevolgen voor de man enorm waren en nog zijn, te meer nu daarnaast sprake is, of is geweest, van ouderverstoting. Toewijsbaar is daarom, zoals gevorderd, EUR 25.000,00.

Verrekeningsverweer

5.14.

De vrouw beroept zich voor het geval van een (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering, op verrekening met een alimentatievordering die zij heeft op de man. De man zou haar ingevolge de beslissing van het Gerecht van 20 november 2023 een bedrag van Cg. 2.939,50 per maand zijn verschuldigd. De man heeft nooit alimentatie betaald. De vordering zou zijn opgelopen tot een bedrag van

Cg 111.700,00. De man heeft deze vordering niet bestreden. Op het toewijsbare deel van de vordering – EUR 96.516,08 – zal daarom in mindering worden gebracht het equivalent van de vordering van de vrouw van EUR 54.733,00.

Conclusie en proceskosten

5.15.

Toewijsbaar is de schadevordering ter zake de reis- en verblijfkosten en immateriële schade. De overige vorderingen zullen worden afgewezen. Het in beginsel toewijsbare deel van de vordering van EUR 96.516,08 zal worden verminderd met een verrekenvordering van EUR 54.733,00, wat uitkomt op een bedrag van EUR 41.783,08. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente, zoals gevorderd.

5.16.

Nu geen van de partijen met deze beslissing overwegend in het ongelijk is gesteld, zullen de kosten van de procedure worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

Het Gerecht:

6.1.

veroordeelt de vrouw tot betaling van de man van EUR 41.783,08, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2024 tot aan de dag van algehele voldoening;

6.2.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst het meer of anders gevorderde af,

6.4.

compenseert de kosten van de procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten daarvan draagt.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

Spreektaantekeningen mr. Veen, randnummers 43-45 Art. 2:246 Sr. SM “hij die opzettelijk een minderjarige onttrekst aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestaft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorieën.” Beschikking GEA Sint Maarten d.d. 20 november 2023, randnummer 4.11. Cg. 111.700,00 x 0,49 = EUR 54.733,00