Strafrecht overig
Witwassen door het ter beschikking stellen van bankrekening en pinpas voor het storten (en opnemen) van een…
ECLI:NL:GHAMS:2025:3865 · Gerechtshof Amsterdam · 27 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2025-3865
Zaakgegevens
Op 27 november 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 27 november 2025
- Datum publicatie
- 22 juni 2026
- Zaaknummer
- 23-000710-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3865
Samenvatting
Witwassen door het ter beschikking stellen van bankrekening en pinpas voor het storten (en opnemen) van een geldbedrag dat afkomstig is uit Whatsappfraude. TS 80 uren. Vordering BP toegewezen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000710-25
datum uitspraak: 27 november 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 12 maart 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-406886-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1983,
(post)adres: [geboorteplaats 2] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2025 en 27 november 2025.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de vertegenwoordiger van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 17 juli 2024, te Beverwijk en/of Haarlem en/of Leersum, althans in Nederland, (van) een geldbedrag ad € 1.970,-, althans een of meer voorwerpen
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en)
- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 17 juli 2024, te Beverwijk en/of Haarlem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) een geldbedrag ad € 1.970,-, althans een of meer voorwerpen
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl die onbekend gebleven persoon/personen wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 17 juni 2024 tot en met 17 juli 2024 te Beverwijk en/of Haarlem, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven persoon/personen zijn bankpas, pincode en/of gegevens voor internetbankieren/bankapp ter beschikking te stellen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd reeds omdat hiervan slechts aantekening is gedaan overeenkomstig artikel 378a Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging
Standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van schuldwitwassen nu de verdachte het op zijn rekening gestorte geldbedrag voorhanden heeft gehad en hij redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig was.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de oplichting dan wel het op zijn rekening gestorte geldbedrag van € 1.970,00. Daarbij wist de verdachte niet dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig was en had hij dat ook niet redelijkerwijs kunnen vermoeden. Bovendien heeft de verdachte, mede gelet op het korte tijdsbestek dat het geldbedrag op zijn rekening heeft gestaan, daar geen beschikkingsmacht over gehad. In aanvulling daarop heeft de raadsman gewezen op de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij zijn bankrekening en bankierenapp ter beschikking heeft gesteld aan een kennis en dat hij op de tenlastegelegde dag geblokkeerd was van zijn eigen rekening, waardoor hij geen zicht meer had op de betaalstromen op die rekening.
Oordeel van het hof
Op 17 juli 2024 is er een overboeking van € 1.970,00 gedaan naar de bankrekening van de verdachte. Uit het dossier blijkt dat dat geldbedrag uit misdrijf (te weten: oplichting) afkomstig is. Het bedrag was overgemaakt door [benadeelde partij] , die slachtoffer was geworden van Whatsappfraude. De criminele herkomst van het geld is hiermee een gegeven. Het overgemaakte geldbedrag is vervolgens binnen anderhalve minuut, met een geldopname bij een geldautomaat van die rekening opgenomen.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op enig moment een kennis toegang heeft gegeven tot zijn bankierenapp. Die kennis gokte frequent met zijn account bij [bedrijf] , waardoor er regelmatig geldbedragen op zijn rekening zouden worden gestort. De verdachte zou die kennis vervolgens toegang hebben gegeven tot zijn bankrekening omdat, zoals de verdachte het noemde, hij geen zin had in ‘gedoe’. De naam van deze kennis heeft de verdachte niet willen noemen. Als de verdachte wordt gevraagd waar zijn pinpas op de tenlastegelegde dag was, verklaart hij die eveneens aan de hiervoor bedoelde kennis te hebben gegeven. “Hij had een week of twee, drie geleden voor het plaatsvond een keer gewonnen met gokken. 3800 euro ofzo. Dat wilde hij eraf halen”, aldus de verdachte. Ook verklaart de verdachte op de bewuste dag te zijn geblokkeerd van zijn eigen rekening.
Uit een analyse van de bankrekening van de verdachte blijkt echter dat er in de periode van 22 juni 2024 tot en met 17 juli 2024 geen enkel bedrag door [bedrijf] is bijgeschreven. Integendeel, er zijn slechts afschrijvingen geweest ten behoeve van [bedrijf] . De verklaring van de verdachte dat hij zijn pinpas heeft afgegeven omdat zijn kennis een geldbedrag had gewonnen dat op zijn, verdachtes rekening was gestort, is daarom aantoonbaar onjuist. Daarbij acht het hof ongeloofwaardig dat de verdachte op de tenlastegelegde dag geblokkeerd was van zijn eigen bankrekening, terwijl een ander daar toen kennelijk wel – met de geldopname – nog gebruik van heeft kunnen maken.
Gelet op het voorgaande hecht het hof aan het door de verdachte geschetste scenario, waarvoor evenmin andere aanknopingspunten in het dossier te vinden zijn, geen geloof
Nu de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat er een fors bedrag, dat door een misdrijf is verkregen, naar zijn rekening is overgeboekt en hier na zeer korte tijd met behulp van zijn pinpas van is afgehaald, gaat het hof ervan uit dat hij weet had van de overboeking, dat hij wist dat dat bedrag van misdrijf afkomstig was en dat hij daar de beschikking over had.
Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat de verdachte geen beschikkingsmacht heeft gehad over het geld, overweegt het hof als volgt. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat de verdachte zijn pinpas aan een ander ter beschikking heeft gesteld, staat dat aan een bewezenverklaring niet in de weg. Voor het – als pleger – ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp in de zin van artikel 420quater lid 1 Wetboek van Strafrecht is immers niet nodig dat de verdachte steeds direct over het voorwerp kan beschikken. Ook als een geldbedrag slechts korte tijd op een bankrekening staat en de verdachte in dat tijdsbestek niet de beschikking heeft gehad over zijn bankpas, kan sprake zijn van het voorhanden hebben. Deze omstandigheid brengt namelijk niet met zich dat de verdachte geen feitelijke zeggenschap heeft kunnen uitoefenen over het geld dat op zijn bankrekening was gestort (vgl. ECLI:NL:HR:2025:871).
Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte wist dat het door de aangever overgeboekte geld op zijn rekening van een misdrijf afkomstig was. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde witwassen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 17 juli 2024 in Nederland een geldbedrag van € 1.970,00 voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor de in eerste aanleg (subsidiair) bewezenverklaarde medeplichtigheid aan witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft (subsidiair) verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van witwassen en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Ook is volgens de raadsman geen sprake van opzet en heeft de verdacht geen profijt gehad; hij heeft geen vergoeding gekregen en het geldbedrag is korte tijd na de storting van zijn rekening gehaald.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van € 1.970,00, afkomstig van Whatsappfraude. Witwassen is een ernstig delict, nu dit het plegen van andere vermogensdelicten in stand houdt en het de integriteit van het financiële verkeer schade toebrengt. De verdachte heeft hier aan bijgedragen. Met zijn handelen heeft hij bovendien een vorm van fraude gefaciliteerd waarmee misbruik is gemaakt van het vertrouwen en de hulpvaardigheid van mevrouw [benadeelde partij] , die haar zoon wilde helpen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 oktober 2025 is hij eerder voor een vermogensdelict onherroepelijk veroordeeld.
In hetgeen door de raadsman is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht af te zien van het opleggen van een straf of maatregel. Daartoe is met name redengevend de ernst van het feit. Het hof stelt met de raadsman vast dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en neemt deze omstandigheid mee bij het bepalen van de strafmaat, maar is niet van oordeel dat dit dient te leiden tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van tachtig uren passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.970,00 ter zake van materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot integrale toewijzing van de vordering.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De geleden schade staat in zo nauw verband met de bewezen verklaarde gedraging dat deze schade moet worden gezien als (mede) het gevolg van de bewezen verklaarde gedraging. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.970,00 (duizend negenhonderdzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.970,00 (duizend negenhonderdzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 29 (negenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 juli 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.F. Roseval, mr. R.D. van Heffen en mr. W.J. Blokland, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 november 2025.
mr. L.M. van Leeuwen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]