Strafrecht overig

2 x vernieling (zaak A en B). Vrijspraak ten aanzien van zaak B. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan…

Gerechtshof Amsterdam, 6 januari 2026

Zaakgegevens

Op 6 januari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
6 januari 2026
Datum publicatie
5 juni 2026
Zaaknummer
23-002826-21
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1568
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

2 x vernieling (zaak A en B). Vrijspraak ten aanzien van zaak B. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van hetgeen de verbalisanten hebben genoteerd ten aanzien van de getuigenverklaringen en bijbehorende identiteitscontrole, maar heeft niet de voor een bewezenverklaring vereiste mate van overtuiging dat de verdachte degene is geweest die de vernieling heeft begaan. Ivm vrijspraak komt het hof niet toe aan voorwaardelijk verzoek tot horen van getuige. Bewezenverklaring voor zaak A. Het hof komt op basis van het dossier tot de conclusie dat de verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand voorafgaand en tijdens zijn verhoor, zodat geen sprake is van een vormverzuim of van (een andere) schending van artikel 6 EVRM, en er dus geen reden is de bekennende verklaring van de verdachte uit te sluiten van het bewijs. Het hof ziet daarnaast geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenningen. Gelet op de ouderdom van het feit en de gewijzigde persoonlijke omstandigheden oplegging van een voorwaardelijke geldboete met proeftijd van één jaar.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002826-21

datum uitspraak: 6 januari 2026

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2021 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-162830-21 (hierna: zaak A) en 13-235209-21 (hierna: zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2025 en 6 januari 2026.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 13-162830-21 (zaak A):

hij op of omstreeks 3 maart 2021 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk één of meerdere beveiligingscamera's, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [woningbouw] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Zaak met parketnummer 13-235209-21 (zaak B; gevoegd):

hij op of omstreeks 1 september 2021 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk één of meerdere ramen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [woningbouw] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak ten aanzien van zaak B

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het in zaak B tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat in het dossier sprake is van suggestieve en onjuiste verslaglegging, dat de herkenning van de verdachte gebrekkig is en dat objectief bewijsmateriaal voor zijn betrokkenheid ontbreekt.

In het kader van dit verweer zijn, op verzoek van de verdediging, de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter terechtzitting als getuigen gehoord. De raadsvrouw heeft daarnaast voorwaardelijk verzocht de verbalisant [verbalisant 3] te horen als getuige.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte wordt verweten dat hij meerdere ramen toebehorende aan woningbouwvereniging [woningbouw] heeft vernield door hier met een kettingslot tegenaan te slaan. Hierover zijn medebewoners [persoon 1] en [persoon 2] gehoord door de politie. Deze verklaringen zijn door de politie ter plekke opgenomen. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van hetgeen de verbalisanten destijds ’s nachts tijdens de noodhulp hebben genoteerd ten aanzien van de getuigenverklaringen en de bijbehorende identiteitscontrole. De door hen ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde getuigenverklaringen maken dit, anders dan de verdediging voorstaat, niet anders.

Het hof stelt daar het volgende tegenover. De politie is na de melding snel ter plaatse en belt aan bij de woning waar de verdachte verblijft met zijn moeder. De verdachte komt in onderbroek zijn slaapkamer uit en na onderzoek in de woning en aan daar aanwezige kleding en schoenen worden geen glassplinters aangetroffen. Voorts komt de aangetroffen kleding op een opvallend punt, namelijk wat betreft de aanwezigheid van mouwen aan de hoodie, niet overeen met wat op de beelden van het incident is waar te nemen. Ook heeft de verdachte geen verwondingen aan zijn lichaam of handen. Het hof constateert bovendien dat de camerabeelden niet van zodanige kwaliteit zijn dat daarop eenvoudig de dader is te herkennen. Die bevindingen maken, alles afwegende en in onderling verband bezien, dat het hof niet de voor een bewezenverklaring vereiste mate van overtuiging heeft dat de verdachte degene is geweest die het in zaak B tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof komt alleen al gelet op deze vrijspraak niet toe aan het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de verbalisant [verbalisant 3] als getuige. Ten overvloede overweegt het hof dat bovendien de feitelijke grondslag voor dit verzoek ontbreekt.

Bewijsoverweging ten aanzien van zaak A

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in zaak A tenlastegelegde.

De raadsvrouw heeft, ondanks de eerdere andere stellingname van de verdediging, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat – gelet op de psychische problematiek en het verminderd cognitief functioneren van de verdachte – niet kan worden gesproken van een vrijwillige, ondubbelzinnige en weloverwogen afstand van het recht op rechtsbijstand. Dit brengt met zich dat sprake is van een vormverzuim, dat artikel 6 EVRM is geschonden en dat de bekennende verklaring van de verdachte bij de politie van het bewijs dient te worden uitgesloten. Daarnaast stelt zij dat de herkenningen in het dossier niet voldoen aan de daaraan in de rechtspraak gestelde eisen nu deze geen concrete onderscheidende persoons- of kledingkenmerken bevatten.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte wordt verweten dat hij twee videocamera’s toebehorende aan woningbouwvereniging [woningbouw] heeft vernield door met een hamer op de camera’s te slaan. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de camera’s met een hamer heeft vernield omdat hij dacht dat de buurman via die camera’s mee kon kijken. De verdachte is door de aangever [verbalisant 4] en verbalisant [verbalisant 5] op de camerabeelden herkend.

Vormverzuim - schending artikel 6 EVRM

In het proces-verbaal van verhoor van 30 april 2021 is vermeld dat de verdachte – nadat hem is meegedeeld dat hij recht heeft op verhoorbijstand, dat hij van dat recht afstand kan doen, dat dat nadelige gevolgen kan hebben en dat hij altijd terug kan komen op zijn beslissing – te kennen gegeven heeft geen gebruik te willen maken van verhoorbijstand door een advocaat en niet is gebleken dat de verdachte op een later moment alsnog heeft aangegeven een advocaat te willen raadplegen. Er is geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat dit proces-verbaal onjuist zou zijn. Het dossier biedt daarnaast geen ondersteuning voor de stelling van de verdediging dat de verdachte een kennelijk kwetsbare verdachte betreft in de zin van artikel 28b van het Wetboek van Strafvordering. Hetgeen de raadsvrouw heeft toegelicht over verdachtes persoonlijke omstandigheden acht het hof onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van een dusdanige psychische en cognitieve kwetsbaarheid dat hij niet in staat zou zijn geweest om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn recht op verhoor- en consultatiebijstand. Dat is ook overigens niet uit het dossier gebleken.

Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat de verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand voorafgaand en tijdens zijn verhoor, zodat geen sprake is van een vormverzuim of van (een andere) schending van artikel 6 EVRM, en er dus geen reden is de bekennende verklaring van de verdachte uit te sluiten van het bewijs.

Herkenning

In de aangifte van 10 maart 2021 heeft [verbalisant 4] verklaard dat hij de man op de camerabeelden herkent als de bewoner van [adres 2] en dat hij weet dat deze man [verdachte] heet. Verbalisant [verbalisant 5] heeft geverbaliseerd dat hij de man op de camerabeelden voor 100% herkent als de verdachte, dat hij hem al een aantal jaren kent en hem diverse keren heeft ontmoet tijdens zijn werkzaamheden als wijkagent.

Het hof stelt vast dat de camerabeelden van een zodanig scherpe kwaliteit zijn dat een herkenning op basis daarvan kan plaatsvinden. Het hof ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenningen door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , mede in het licht van hetgeen hierboven is opgemerkt..

Het hof verwerpt de verweren en komt tot een bewezenverklaring van het in zaak A tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-162830-21 (zaak A) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 3 maart 2021 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk één of meerdere beveiligingscamera's, in elk geval enig goed, dat/die aan [woningbouw] toebehoorden, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield. beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het in zaak A ten laste gelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hieronder weergegeven bewijsmiddelen zijn vervat:

1. Een proces-verbaal van aangifte van [verbalisant 4] van 9 maart 2021 (het hof leest verbeterd, gelet op de overige data vermeld in het dossier: 10 maart 2021), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina 5 tot en met 6.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik ben namens het slachtoffer [woningbouw] gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik kwam afgelopen week tot de ontdekking dat een videocamera in het trappenhuis aan de [adres 2] was vernield. Ik zag tevens dat de camera aan de buitenzijde van het gebouw was vernield. Ik zag op de videobeelden dat er een man zeer duidelijk met een hamer een aantal maal op de genoemde camera’s slaat waardoor het beeld vervolgens weg valt. Ik heb tevens gezien dat deze beide camera's onbruikbaar zijn en vervangen moeten worden. Ik herkende de man op de beelden als de bewoner van de flat [adres 2] . Ik weet dat hij [verdachte] heet.

2. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 maart 2021 (het hof leest verbeterd, gelet op de overige data vermeld in het dossier: 10 maart 2021), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina 9.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik zag op de twee filmpjes een man. Ik zag dat deze man met een hamer met kracht een aantal keer op de camera’s sloeg. Ik herkende deze man voor 100% als [verdachte] , woonachtig op [adres 2] . Ik ken hem al een aantal jaren en heb hem diverse keren ontmoet tijdens mijn werkzaamheden als wijkagent.

3. Een proces-verbaal Foto Bijlage van 30 april 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 10 tot en met 13.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 30 april 2021 heb ik, verbalisant, een onderzoek ingesteld naar de camerabeelden verkregen van aangever (het hof begrijpt: de beelden die in bewijsmiddel 2 zijn omschreven). Uit de opnamen blijkt het volgende: de weergegeven datum en tijd is 3 maart 2021 rond 16:15 uur ’s middags.

4. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 30 april 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 14 tot en met 18.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang:

V: Waarom heb jij de camera's vernield?

A: Omdat ik dacht dat de buurman mee kon kijken. (…)

V: Hoe heb jij de camera's vernield?

A: Met een hamer.

V: Weet jij van wie die camera's zijn?

A: [woningbouw] .

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 13-162830-21 (zaak A) bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer 13-162830-21 (zaak A) bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13-162830-21 (zaak A) bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00 met aftrek van het voorarrest, te voldoen in tien termijnen van € 50,00.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,00 met aftrek van het voorarrest, te voldoen in acht termijnen van

€ 50,00.

De raadsvrouw heeft de persoonlijke omstandigheden toegelicht en verzocht de geldboete substantieel te verlagen, dan wel in voorwaardelijke vorm op te leggen, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling van beveiligingscamera’s. Dat is een vervelend feit dat overlast en schade heeft veroorzaakt bij de gedupeerde. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij er door zijn handelen blijk van heeft gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen.

In het voordeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 december 2025 sinds het bewezenverklaarde feit kennelijk geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

Het hof constateert dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in hoger beroep is geschonden. In strafzaken wordt bij een dergelijke overschrijding onder meer geen vermindering van de opgelegde straf toegepast als het gaat om een geheel voorwaardelijke straf, die het hof in dit geval zoals hieronder aangegeven zal opleggen. Het hof volstaat dan ook met de enkele constatering dat de redelijke termijn is geschonden. Wel houdt het hof rekening met het aanzienlijke tijdsverloop in deze zaak.

Gelet op de ouderdom van het feit en de gewijzigde persoonlijke omstandigheden, zoals deze ter terechtzitting zijn toegelicht, is het hof van oordeel dat met uitsluitend een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte in dit geval kan worden volstaan. Om diezelfde redenen acht het hof een proeftijd van één jaar voldoende.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-235209-21 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer

13-162830-21 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-162830-21 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van

€ 100,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 januari 2026.