Strafrecht overig
Ontneming hennepteelt. Pondspondsgewijze verdeling.
Gerechtshof Amsterdam, 2 juli 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2118 · Gerechtshof Amsterdam · 2 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2118
Zaakgegevens
Op 2 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Datum publicatie
- 29 juli 2026
- Zaaknummer
- 23-002264-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2118
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming hennepteelt. Pondspondsgewijze verdeling.
Procesgang
Rechtbank Amsterdam · 30 september 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:7521Gerechtshof Amsterdam · 2 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2026:2118
Overig
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002264-25 (ontneming)
Datum uitspraak: 2 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 september 2025 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-297858-22 tegen de betrokkene:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
adres: [adres 1] .
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat, wordt vastgesteld op € 402.307,96 en aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Op de zitting heeft de officier van justitie de vordering verlaagd tot € 12.000,00.
De rechtbank heeft bij vonnis van 30 september 2025 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 100.576,99 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2026 en 18 juni 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en haar raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 402.307,96, waarbij evenals het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van vier eerdere oogsten. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 201.153,98, waarbij in lijn met de rechtbank wordt uitgegaan van twee eerdere oogsten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een geripte oogst in mindering heeft gebracht, omdat alleen de oogst in kweekruimte A is geript en deze oogst al niet was meegenomen in de berekening.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil vast te stellen, gelet op de in de strafzaak bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman – indien het hof van oordeel is dat sprake is van medeplichtigheid – verzocht alleen de huurinkomsten als wederrechtelijk verkregen voordeel te beschouwen. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de betrokkene in het eerste politieverhoor moet worden gevolgd, inhoudende dat zij één opbrengst heeft gehad en zes à zeven kilogram hennep heeft verkocht voor € 3.000,00 per kilogram. Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt dan € 17.000,00.
Oordeel van het hof
Grondslag
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 2 juli 2026 (parketnummer 23-002126-25) veroordeeld voor het op 8 juni 2020 telen van 948 hennepplanten en 4.336,76 gram hennep in een pand aan de [adres 2] .
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen (artikel 36e, tweede lid, Sr). Het hof is van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten heeft begaan, namelijk dat zij zich in de periode voorafgaand aan 8 juni 2020 schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennepplanten. Dat blijkt uit de mate van vervuiling van de aangetroffen hennepkwekerij, waaronder hennepresten, zeer vervuilde koolstoffilters, stof op de armaturen van de assimilatielampen en overige apparatuur, verkleuring van de houten latten waaraan deze assimilatielampen waren opgehangen, en algengroei en kalkaanslag in de watervaten, druppelslangen en afvoeren. Daarnaast zijn er lege jerrycans van groeimiddelen en een droogrek met henneptoppen aangetroffen.
Opbrengst
In het pand zijn twee kweekruimtes aangetroffen. In kweekruimte A zijn plantenbakken met daarin 412 afgeknipte hennepplanten aangetroffen. In kweekruimte B zijn 536 hennepplanten aangetroffen. Uit een berekening van de politie naar aanleiding van de hoeveelheid aangetroffen lege jerrycans blijkt (door het aantal liters groeimiddel dat kan worden aangemaakt te delen door het aantal liters dat een hennepplant tijdens een kweek verbruikt) dat sprake is van minimaal één eerdere oogst. De betrokkene heeft in haar eerste politieverhoor een verklaring afgelegd die erop neerkomt dat zij al een eerdere mislukte oogst heeft gehad en een deel van de tweede oogst twee weken voorafgaand aan de dag waarop de hennepkwekerij is aangetroffen, is geript. Dat de gehele eerste oogst is mislukt, zoals door de verdachte is aangevoerd, acht het hof mede gelet op de professionaliteit van de kwekerij niet aannemelijk.
Gelet op het voorgaande (kopjes ‘Grondslag’ en ‘Opbrengst’) gaat het hof uit van tenminste één eerdere oogst in kweekruimtes A en B en wordt de tweede oogst in kweekruimte A (die door de politie niet werd aangetroffen) niet meegeteld omdat het hof het aannemelijk acht dat dit de oogst is die volgens de verklaring van de verdachte is geript. Het hof ziet onvoldoende aanknopingspunten om te komen tot de door de advocaat-generaal gestelde vier eerdere oogsten.
De opbrengst hennep in grammen wordt ontleend aan de algemene uitgangspunten die zijn opgenomen in het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordele hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Functioneel Parket Afpakken zoals herzien per 1 juni 2016. Omdat de hoeveelheid planten per vierkante meter in kweekruimte A niet bekend is, wordt uitgegaan van 15 planten per vierkante meter. De opbrengst is in dit geval 28,2 gram per plant. In kweekruimte B stonden 16 planten per vierkante meter, waardoor de opbrengst 27,7 gram per plant is. De opbrengst hennep in geld bedraagt volgens dit rapport € 4.070,00 per kilogram.
Kosten
Het hof zal voor de afschrijvingskosten, de inkoopprijs van de stekken, de overige variabele kosten en de kosten van de aangetroffen knipmachine uitgaan van hetgeen daarover in het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ is opgenomen.
Toerekening
In de strafzaak is medeplegen van hennepteelt niet bewezen geacht, maar in het dossier zijn voldoende aanwijzingen te vinden dat het aannemelijk is dat naast de betrokkene een tweede persoon betrokken is geweest bij de hennepkwekerij. Bij gebrek aan aanknopingspunten voor een andere verdeling zal het hof in het voordeel van de betrokkene het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs met de andere betrokkene verdelen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op het voorgaande wordt de berekening als volgt.
Opbrengst
Kweekruimte A:
412 planten x 28,2 gram (15 planten per vierkante meter) 11.618,4 gram hennep
Opbrengst per oogst: 11.618,4 gram hennep x € 4,07 € 47.286,88
Kweekruimte B:
536 planten x 27,7 gram (16 planten per vierkante meter) 14.847,2 gram hennep
Opbrengst per oogst: 14.847,2 gram hennep x € 4,07 € 60.428,10
Totale opbrengst twee kweekruimtes € 107.714,98
Kosten
Kweekruimte A:
Afschrijvingskosten (412 planten) € 300,00
Inkoopprijs stekken (412 planten x € 3,81) € 1.569,72
Overige variabele kosten (412 planten x € 3,88) € 1.598,56
Knipmachine (412 planten x € 0,21) € 86,52
Kosten per oogst € 3.554,80
Kweekruimte B:
Afschrijvingskosten (536 planten) € 350,00
Inkoopprijs stekken (536 planten x € 3,81) € 2.042,16
Overige variabele kosten (536 planten x € 3,88) € 2.079,68
Knipmachine (536 planten x € 0,21) € 112,56
Kosten per oogst € 4.584,40
Totale kosten twee kweekruimtes € 8.139,20
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt naar het oordeel van het hof:
€ 107.714,98 (opbrengst) - € 8.139,20 (kosten) = € 99.575,78. Dat bedrag gedeeld door twee personen is (afgerond) € 49.787,00.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft – conform het vast te stellen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel – primair gevorderd dat aan de betrokkene een betalingsverplichting wordt opgelegd van € 402.307,96 en subsidiair € 201.153,98.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de betalingsverplichting.
Oordeel van het hof
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in eerste aanleg is overschreden. Het hof is van oordeel dat de termijn is aangevangen op 9 juni 2020, te weten de datum van het eerste politieverhoor. De rechtbank heeft op 30 september 2025 vonnis gewezen, zodat de redelijke termijn in eerste aanleg met ongeveer drie jaar en vier maanden is overschreden. Met deze overschrijding is in de strafzaak reeds rekening gehouden, in de zin van een vermindering van de op te leggen straf. Het hof zal om die reden de overschrijding in de ontnemingszaak enkel constateren en daaraan geen verder gevolg verbinden.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van € 49.787,00.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 49.787,00 (negenenveertigduizend zevenhonderdzevenentachtig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 49.787,00 (negenenveertigduizend zevenhonderdzevenentachtig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 497 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg en mr. L. Daum, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.
Mr. Daum en mr. Gielen zijn niet in de gelegenheid dit arrest te ondertekenen.