Strafrecht overig
Witwassen. Constatering overschrijding van de redelijke termijn. Taakstraf.
Gerechtshof Amsterdam, 4 augustus 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2162 · Gerechtshof Amsterdam · 4 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2162
Zaakgegevens
Op 4 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- 23-001298-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2162
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Witwassen. Constatering overschrijding van de redelijke termijn. Taakstraf.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001298-24
datum uitspraak: 4 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 mei 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-020246-21 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 8 januari 2021, te Watergang, gemeente Waterland (van) een een geldbedrag van (ongeveer) 20.960,- euro, althans een of meer voorwerpen
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman heeft gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat sprake is van een vormverzuim. Het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden, omdat is gebruikgemaakt van een opsporingsmiddel dan wel opsporingsbevoegdheid zonder inzage te geven in de legitimiteit daarvan. Immers is startinformatie van het onderzoek niet bekendgemaakt, waardoor niet kan worden getoetst op grond waarvan naar de auto van de verdachte is gezocht en door wie de auto op een referentielijst is geplaatst. De verdachte is op onterechte gronden in het openbaar onderworpen aan dwangmiddelen.
Het hof overweegt als volgt.
De zogenoemde ANPR-registratie en daaruit vloeiende ANPR-hit houden geen verband met de controlebevoegdheden van de politie op grond van de Wegenverkeerswet. De politie had immers een zelfstandige bevoegdheid voor het controleren van de auto waarin verdachte reed, namelijk in het kader van een verkeerscontrole. Het ontbreken van ANPR-gegevens dan wel het niet bekendmaken van startinformatie van het strafrechtelijke onderzoek, kan daarom niet leiden tot de conclusie dat sprake is geweest van schending van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Daar komt nog bij dat verdachte in dit geval uitdrukkelijk toestemming aan de politie heeft verleend tot het doorzoeken van de auto. Van een vormverzuim is daarom geen sprake. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Nu ook geen andere omstandigheden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan, kan zij in de vervolging worden ontvangen.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert.
Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft primair gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat al het verkregen bewijs moet worden uitgesloten wegens het hiervoor bedoelde vormverzuim. Subsidiair is aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden geoordeeld dat het niet anders kan dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft immers een onderbouwde verklaring over de herkomst van het geld afgelegd.
Het hof overweegt als volgt.
Het verweer met betrekking tot het vormverzuim is reeds aan de orde gekomen in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof heeft in dit kader geoordeeld dat geen sprake is van een vormverzuim. Het primaire verweer kan daarom niet slagen.
Ten aanzien van het subsidiaire verweer wordt het volgende overwogen.
De verdachte is als bestuurder (en tenaamgestelde) van een personenauto staande gehouden. De politie heeft op grond van de Wegenverkeerswet onderzoek verricht door in zijn auto te kijken. In de auto is achter de bijrijdersstoel een tas aangetroffen, waarin zich een grote stapel met bankbiljetten bevond, welke voornamelijk bestond uit biljetten van € 50,00. Later is gebleken dat deze bankbiljetten een totaal geldbedrag ter hoogte van € 20.960,00 vormden. In de achterbak van de auto zijn goederen aangetroffen die kunnen worden gerelateerd aan hennepteelt, zoals plantenvoeding in jerrycans en een grote, rubberen slang die vaak gebruikt wordt als onderdeel van ventilatieapparaten in hennepplantages. Het hof acht onder deze omstandigheden een vermoeden dat het betreffende geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf, gerechtvaardigd.
In een dergelijke situatie mag van de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het aangetroffen geld worden verlangd. De verdachte heeft meerdere verklaringen afgelegd.
Hij heeft ten tijde van de staandehouding op 8 januari 2021 verklaard dat hij niet wist dat er zoveel geld in zijn auto lag en dat hij de tas niet herkende. De in de achterbak aangetroffen hennep gerelateerde goederen had hij naar eigen zeggen voor een vriend opgehaald en hij wist niet precies wat er lag. Een dag later, op 9 januari 2021, heeft de verdachte ten overstaan van de politie het volgende verklaard: “Over dat geld. Wat ik gisteren al aangaf. Er was adrenaline en zo gisteren en ik vertelde de waarheid. Dat geld moest ik ophalen van iemand. Bij wie ik in het krijt stond uit het verleden. Toen ik het geld zag schrok ik. Je bent eraan begonnen en dan moet je het ook maar afmaken. Eigenlijk zou ik spullen halen. Ik kreeg die tas daar en had er toen in gekeken. Ik schrok, maar ik had hem toch meegenomen. Achteraf had ik het beter uit het raam kunnen gooien. Ik hoop dat jullie dat begrijpen. Ik had nooit in zo'n situatie moeten komen, maja, dat is nu eenmaal zo”.
Ter terechtzitting in eerste aanleg noemt de verdachte voor het eerst de naam [persoon] . Het aangetroffen geld in de tas zou van [persoon] zijn. [persoon] had volgens verdachte een paar dagen voor de aanhouding de auto van verdachte geleend, omdat de auto van [persoon] kapot was. Kort voor de aanhouding hadden de verdachte en [persoon] de auto’s weer (terug) geruild. De verdachte wist niet van de tas met het geld. [persoon] is de tas met het geld kennelijk in de auto van de verdachte vergeten, maar hoe dat is gegaan kon de verdachte tijdens de zitting in eerste aanleg niet zeggen.
De verdachte heeft dus wisselende verklaringen afgelegd over de herkomst van het onder hem aangetroffen geld. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep is door de verdachte naar voren gebracht dat hij ten tijde van de staandehouding naar waarheid heeft verklaard. De verklaring die hij tijdens het politieverhoor heeft afgelegd, was conform het advies van zijn toenmalige raadsman en klopt niet.
Het door de verdediging geschetste scenario is dat het geld aan [persoon] toebehoorde, en dat [persoon] de tas met zijn geld in de auto van de verdachte heeft laten liggen. [persoon] had de auto van de verdachte geleend omdat zijn auto ter reparatie in de garage stond. De auto’s zijn kort voor de aanhouding van de verdachte – dus kort voor 8 januari 2021 – (terug) geruild. [persoon] is vergeten zijn tas met geld uit de auto van de verdachte te halen, en de verdachte wist daar niets van, volgens de verdediging.
Het hof acht het scenario van de verdediging niet aannemelijk geworden. Het hof neemt daarbij in aanmerking de getuigenverklaring van de garagehouder [getuige] van 31 augustus 2022, waaruit blijkt dat de auto van [persoon] pas op 9 januari 2021 is opgehaald. Dat is één dag na de aanhouding van de verdachte. De factuurdatum (9 januari 2021) is volgens [getuige] de datum waarop de auto van [persoon] is opgehaald, omdat de getuige pas een factuur opmaakt als een eigenaar zijn voertuig ophaalt. Verder is niet aannemelijk dat [persoon] zou hebben vergeten een tas, met daarin zo’n groot geldbedrag, uit de auto van de verdachte te halen.
Het hof gaat daarom voorbij aan het scenario dat de verdachte niet wist dat het geld in zijn auto lag. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat zijn verklaring van 9 januari 2021 bij de politie is afgelegd omdat hij dit moest zeggen van zijn toenmalige advocaat. Dit was volgens de verdachte niet de waarheid. Uit het verhoor bij de politie blijkt dat de verdachte zich op advies van zijn raadsman bij inhoudelijke vragen op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Niet geloofwaardig is dat diezelfde raadsman dan na het doorlezen van de verklaring aan de verdachte zou hebben geadviseerd alsnog een gedetailleerd, maar onwaar, verhaal te vertellen waarmee hij zichzelf belastte.
De door de verdachte afgelegde verklaringen over de herkomst van het geld ontzenuwen niet het gerechtvaardigde vermoeden dat het geld, dat in zijn auto is aangetroffen, van misdrijf afkomstig is.
Het hof komt tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat het geldbedrag van € 20.960,00 van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 8 januari 2021, te Watergang, gemeente Waterland, een geldbedrag van 20.960,- euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De raadsman heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan de advocaat-generaal heeft gevorderd en bij de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een fors geldbedrag van € 20.960,00. Het witwassen van crimineel vermogen faciliteert de onderliggende criminaliteit. Het vormt een aantasting en ondermijning van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving. De verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen.
Het hof is van oordeel dat de door de politierechter opgelegde straf niet in overeenstemming is met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De vordering van de advocaat-generaal wordt daarom niet gevolgd. Het hof zal een geheel onvoorwaardelijke taakstraf opleggen van 80 uren.
Gelet op het tijdsverloop vanaf de aanvang van deze strafzaak tot de huidige behandeling in hoger beroep dient bij de bepaling van de duur van de straf rekening te worden gehouden met het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM. Naar het oordeel van het hof is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, terwijl de overschrijdingen niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Omdat het hof zal overgaan tot de oplegging van een taakstraf voor de duur van minder dan 100 uren, zal daaraan geen consequentie worden gekoppeld, maar worden volstaan met de constatering van de termijnoverschrijding.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Beslag
Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 20.960,00. Niet kan worden vastgesteld aan wie het geldbedrag toebehoort. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.
Het geldbedrag ad € 2.100,00, dat is aangetroffen in de broekzakken van de verdachte, wordt aan de verdachte teruggegeven.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
20.960 EUR IBG 08-01-21.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
2.100 EUR IBG 08-01-21.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M.T.C. de Vries en mr. C.A. Boom, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 augustus 2026.