Strafrecht overig

Vernietiging van het vonnis. Poging tot diefstal door middel van braak. Gevangenisstraf voor de duur van vier…

Gerechtshof Amsterdam, 30 juli 2026

Zaakgegevens

Op 30 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
30 juli 2026
Datum publicatie
10 augustus 2026
Zaaknummer
23-002853-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2194
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vernietiging van het vonnis. Poging tot diefstal door middel van braak. Gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest. Beslag. Toewijzing vordering TUL.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002853-25

datum uitspraak: 30 juli 2026

TEGENSPRAAK (eerder verschenen, thans niet)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 december 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 13-312822-25 en 13-040972-23 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
16 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 17 november 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een woning, gelegen aan de [adres 2] , een laptop en/of een of meerdere andere goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiair
hij op of omstreeks 17 november 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een woning, gelegen aan de [adres 2] , een of meerdere goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking,
- naar voornoemde woning is/zijn gegaan en/of
- de (voor)deur van de voornoemde woning heeft/hebben ingetrapt en/of opengebroken en/of geforceerd en/of
- de voornoemde woning is/zijn binnengegaan en/of
- de voornoemde woning heeft/hebben doorzocht en/of
- een of meerdere kasten en/of lades heeft/hebben geopend en/of
- de inhoud van deze kasten en/of lades er uit gehaald en/of op de grond gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat op grond van de bewijsmiddelen die door de politierechter zijn gebruikt wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot woninginbraak. Anders dan de politierechter is de advocaat-generaal van mening dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft medegepleegd met een ander, omdat van de betrokkenheid van de ander enkel kan worden vastgesteld dat deze kennelijk op de uitkijk heeft gestaan. Deze bijdrage is naar de mening van de advocaat-generaal van onvoldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt op grond van het dossier het volgende vast.

Naar aanleiding van een melding van een (vermoedelijke) woninginbraak in de avond van
17 november 2025 zijn verbalisanten ter plaatse gegaan. Verbalisanten zagen dat de voordeur van de betreffende woning op een kier stond en dat het slot van de deur verbroken was. Binnen in de woning troffen verbalisanten de verdachte aan, volledig in het zwart gekleed met een muts, een col en handschoenen. De woning was duidelijk doorzocht: meerdere lades en deuren stonden open. Ook werden op het bed in de slaapkamer een laptop, twee telefoons en een hoeveelheid briefgeld aangetroffen. In de aangifte wordt het voorgaande bevestigd. Aangeefster heeft verklaard dat zij de deur van haar woning op 17 november ‘s avonds op slot heeft gedraaid. Toen ze de volgende ochtend bij de woning aankwam trof ze een kapotte voordeur aan en zag ze dat haar woning een rommel was: verschillende lades van kasten waren open en haar slaapkamer was overhoopgehaald. De verdachte heeft op de zitting in eerste aanleg verklaard dat het klopt dat hij in de woning van de aangeefster was, maar heeft daar verder geen verklaring voor willen geven. Naar de uiterlijke verschijningsvorm en gelet op het voorgaande kan het niet anders dan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot woninginbraak: de verdachte is met het inbreken begonnen, maar hij is niet toegekomen aan het wegnemen van de goederen.

Anders dan de politierechter is het hof van oordeel dat geen sprake is van medeplegen. Hoewel op camerabeelden twee personen te zien zijn, en bij de woning ook daadwerkelijk een andere persoon – volledig in het zwart gekleed – is aangetroffen en vervolgens ook is aangehouden, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat deze andere persoon meer heeft bijgedragen dan enkel op de uitkijk staan. Een dergelijke bijdrage is van onvoldoende gewicht om van medeplegen te spreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair
hij op 17 november 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om uit een woning, gelegen aan de [adres 2] , meerdere goederen toebehorend aan [slachtoffer] weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak,
- naar voornoemde woning is gegaan; en
- de voordeur van de voornoemde woning heeft ingetrapt; en
- de voornoemde woning is binnengegaan; en
- de voornoemde woning heeft doorzocht; en
- een of meerdere kasten en/of lades heeft geopend; en
- de inhoud van deze kasten en/of lades er uit gehaald,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een poging tot woninginbraak. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen schade aan de woning veroorzaakt, maar ook een forse inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de bewoner. Een poging tot woninginbraak is een ernstig feit dat het vertrouwen in de veiligheid van de woonomgeving schaadt. Dergelijke inbraakpogingen veroorzaken niet alleen angst en onveiligheidsgevoelens bij het slachtoffer, maar ook bij omwonenden en de maatschappij in het algemeen.

Blijkens het strafblad van de verdachte is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Het hof heeft bij het bepalen van (de hoogte van) de straf ook acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Gelet hierop neemt het hof een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden als uitgangspunt. Het hof overweegt echter dat geen sprake is van een voltooide woninginbraak maar van een poging daartoe. Gelet daarop ziet het hof reden de duur van de gevangenisstraf enigszins te matigen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

Ten aanzien van het beslag is het hof, evenals de politierechter, van oordeel dat het mes moet worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, omdat niet kan worden vastgesteld of het mes aan de verdachte toebehoort.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- mes (goednummer: PL1300-2025290433-BZAU3163).

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2023, parketnummer 13-040972-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. W.S. Ludwig en mr. L.M.G. de Weerd, in tegenwoordigheid van
mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 juli 2026.

mr. W.S. Ludwig is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.