Strafrecht overig

Veroordeling voor een openlijke geweldpleging, mishandeling en diefstal tot een gevangenisstraf voor de duur…

Gerechtshof Amsterdam, 30 juli 2026

Zaakgegevens

Op 30 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
30 juli 2026
Datum publicatie
14 augustus 2026
Zaaknummer
23-002727-22
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2258
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor een openlijke geweldpleging, mishandeling en diefstal tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek en een proeftijd van 2 jaren. Overschrijding van de redelijke termijn. Afwijzing vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002727-22

datum uitspraak: 30 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 oktober 2022 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers

15-037083-22 en 09-166347-22 en 15-316545-21 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1992,

adres: [adres] ).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf, de vordering van de benadeelde partij en de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de verdachte. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman heeft bepleit aan de verdachte een lagere straf op te leggen, gelet op het aandeel van de verdachte bij de openlijke geweldpleging en de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer 1] . Hierbij heeft de verdachte samen met de medeverdachte het slachtoffer van achteren onverhoeds aangevallen, geslagen, gestoken en in de sloot geduwd. Als gevolg daarvan heeft het slachtoffer steekverwondingen opgelopen en psychisch leed ervaren. Bovendien heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een mishandeling van het slachtoffer [slachtoffer 2] , door haar te slaan tegen haar hoofd en heen en weer te trekken. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Bovendien veroorzaken dergelijke strafbare feiten gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal.

Uit het strafblad van de verdachte van 15 juli 2026 volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten en ten tijde van de onderhavige feiten in de proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidsstelling liep. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging.

Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten en de recidive niet anders kan worden gereageerd dan met de oplegging van een gevangenisstraf. Het hof acht in beginsel, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk passend en geboden.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden met bijna 22 maanden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de opgelegde straf matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. Gelet op de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, hoeft hij niet terug naar de gevangenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.900,85. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.900,85. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door de rechtbank bij vonnis van 8 augustus 2023 in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] geheel toegewezen. Dit vonnis is onherroepelijk. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de medeverdachte de schadevergoeding inmiddels volledig aan de benadeelde partij heeft betaald.

Het hof stelt vast dat door deze betaling geen schade meer resteert zodat de vordering in deze zaak dient te worden afgewezen.

Gelet op bovenstaande ziet het hof geen grond voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 augustus 2018 onder parketnummer 10-680618-17 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 9 maanden met aftrek van het voorarrest. Deze uitspraak is onherroepelijk. De verdachte is krachtens een besluit van 3 mei 2020 per 21 mei 2020 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Bij beslissing van 4 augustus 2021 is de proeftijd met één jaar verlengd.

Naar aanleiding van het in de voorliggende zaak onder parketnummer 15-037083-22 tenlastegelegde feit heeft de officier van justitie op 18 februari 2022 een vordering ingediend, strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 455 dagen. De rechtbank heeft de vordering toegewezen.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is in het hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt afgewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Vast is komen te staan dat de verdachte gedurende de proeftijd de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Voor de geloofwaardigheid en de effectiviteit van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling is van groot belang dat aan de overtreding van de gestelde voorwaarden gevolgen worden verbonden. In beginsel dient dat ook in dit geval te gebeuren.

In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof echter aanleiding om tot een andere beslissing te komen.

De verdachte is sinds 13-jarige leeftijd veelvuldig in aanraking gekomen met justitie, en staat sinds 3 november 2022 onder toezicht van de reclassering. Tot dat moment ontbrak een stabiele woonplek, was er onvoldoende zicht op zijn dagbesteding, was er sprake van een pro-crimineel netwerk, waren er zorgen over toenemend middelengebruik, was er sprake van agressieregulatie problematiek en was er sprake van een hoog recidiverisico. Sindsdien heeft de verdachte op verschillende levensgebieden een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Gedurende het toezicht hebben er geen overtredingen van de bijzondere voorwaarden plaatsgevonden. Hij beschikt op dit moment over een huurwoning, heeft betaald werk, beheert zijn eigen financiën en omringt zich met positieve mensen. Er is daardoor op dit moment sprake van een laag recidiverisico.

Het hof overweegt dat het toewijzen van de vordering herroeping zou betekenen dat de verdachte zijn woning en zijn baan zal kwijtraken, en dat alles wat de verdachte de afgelopen jaren samen met de reclassering heeft opgebouwd weer teniet zal worden gedaan. Tenuitvoerlegging zal dus naar verwachting zowel voor de samenleving als voor de verdachte meer negatieve dan positieve gevolgen hebben. Gelet hierop zal het hof de vordering afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 141, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, de vordering van de benadeelde partij en de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de verdachte en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot schadevergoeding af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. N. van der Wijngaart en mr. L.M.G. de Weerd, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Kuvel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 juli 2026.

=========================================================================

[…]