Strafrecht overig

jeugdzaak, opzettelijk aanwezig hebben verschillende soorten harddrugs, TS 50 uur/ 25 dagen, bevestiging…

Gerechtshof Amsterdam, 3 september 2026

Zaakgegevens

Op 3 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
3 september 2026
Datum publicatie
8 september 2026
Zaaknummer
23-002155-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2544
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

jeugdzaak, opzettelijk aanwezig hebben verschillende soorten harddrugs, TS 50 uur/ 25 dagen, bevestiging behalve tav beslissing op beslag ( gelast terugggave aan de verdachte)

Procesgang

  1. Rechtbank Amsterdam · 2 september 2025

    ECLI:NL:RBAMS:2025:6652
  2. Gerechtshof Amsterdam · 3 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2544

    Overig

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002155-25

datum uitspraak: 3 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 september 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-203922-22 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
20 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is beperkt hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.


Omvang van het hoger beroep

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van feit 1 en veroordeeld voor feit 2. Namens de verdachte is het hoger beroep bij akte beperkt tot feit 2. Nu het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, is in hoger beroep alleen nog feit 2 aan de orde.


Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing over het beslag; in zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Het hof komt tot bevestiging van de bewezenverklaring van feit 2 met dien verstande dat het hof

- de bewijsoverweging van de rechtbank zoals opgenomen in rubriek 3.3.2 van het vonnis (pagina 3-4) aanvult met de navolgende overweging:

Ook hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het alternatieve scenario dat de verdovende middelen, die in de auto en de slaapkamer van de verdachte zijn aangetroffen, aan iemand anders toebehoorden, is nog steeds onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het hof vindt in dat verband ook relevant dat het zakje pillen dat in de slaapkamer van de verdachte is aangetroffen en de zakjes pillen die in de auto van de verdachte zijn aangetroffen, allebei groene pillen met het logo ‘Punisher’ betroffen (zie de in voetnoten 4 en 5 bedoelde ZD254 en ZD255).

- de bewijsmiddelen aanvult met een tweetal geschriften, te weten;

de kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL1300-2022139663-78, doorgenummerde pagina’s 142- 146 en

de kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL1300-2022139663-85, doorgenummerde pagina’s 139- 141.

- in de strafmotivering van de rechtbank zoals opgenomen in rubriek 7.3 de voorlaatste alinea over de redelijke termijn (pagina 6) schrapt en vervangt door de navolgende overweging:

In artikel 6 EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat door de Nederlandse staat tegenover verdachte een handeling is verricht waaraan verdachte de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een strafvervolging wordt ingesteld. In het onderhavige geval is de redelijke termijn aangevangen op 16 december 2022, de datum dat de verdachte in verzekering is gesteld. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar had de zaak op 16 december 2024 met een eindvonnis moeten zijn afgerond. De rechtbank heeft echter eerst op 2 september 2025 uitspraak gedaan. Het hof constateert dat daarmee sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van 8 maanden, maar het hof volstaat, gelet op de aard en duur van de op te leggen straf, met deze constatering.

Beslag

Omdat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afstand van een deel van het beslag heeft gedaan en er intussen ook beslag is teruggegeven door het openbaar ministerie, dient het hof in hoger beroep nog slechts een beslissing te nemen over de onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedragen.

Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de inbeslaggenomen geldbedragen dienen te worden geretourneerd aan de verdachte nu geen verband kan worden gelegd tussen deze geldbedragen en het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • € 1.360.00 (goednr. 6223866):

  • € 110,00 (goednr. 6223867):

  • € 125,00 (goednr. 6223842):

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Colijn, mr. M.J.A. Duker en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van
mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
3 september 2026.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]