Strafrecht overig
Veroordeling voor belaging tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met…
Gerechtshof Amsterdam, 8 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2930 · Gerechtshof Amsterdam · 8 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2930
Zaakgegevens
Op 8 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2026
- Datum publicatie
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-002000-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2930
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor belaging tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de oplegging van een contact- en locatieverbod.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002000-24
datum uitspraak: 8 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 augustus 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-123075-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1994,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting in hoger beroep van 24 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek op de zitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van dat wat de verdachte en zijn raadsman en het slachtoffer naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks 3 maart 2022 tot en met 18 oktober 2023 te Winkel en/of [plaats], gemeente Hollands Kroon, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer], door
- veelvuldig berichten te sturen naar die [slachtoffer] en/of
- veelvuldig telefonisch contact te zoeken met die [slachtoffer] en/of
- zich meermalen op te houden bij de woning, althans in de omgeving van de woning van die [slachtoffer]
met het oogmerk die [slachtoffer], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Het hof komt tot namelijk tot een enigszins andere bewezenverklaring en straf.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal sluit zich aan bij de bewezenverklaring van de politierechter.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd. De verdachte heeft zich weliswaar op momenten onbehoorlijk gedragen tegen de aangeefster, maar van belaging is geen sprake. Ze hadden een knipperlichtrelatie waarin het soms goed ging, en soms de aangeefster niets met de verdachte te maken wilde hebben. Er was in de tenlastegelegde periode ook sprake van ‘communicatie over en weer’ en de aangeefster heeft ook zelf contact geïnitieerd, in zoverre klopt de verklaring van de aangeefster niet. Daarbij heeft de verdediging erop gewezen dat er spullen van de verdachte bij de aangeefster lagen.
Het hof stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 Sr zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Het hof stelt op grond van de tot het bewijs gebruikte bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
De relatie tussen de verdachte en de aangeefster was turbulent. Het valt niet precies vast te stellen op welk moment het zoeken van contact door de verdachte nog als ‘passend’ binnen een ‘normale’ relatie viel aan te merken en op welk moment er daadwerkelijk sprake was van ‘stalking’. Zoals vaker het geval is in stalkingzaken verloopt die overgang enigszins gradueel, waarbij het op enig moment glashelder is dat de grens is overschreden. Het hof is van oordeel dat het in de hieronder bewezenverklaarde periode buiten twijfel staat dat de aangeefster geen prijs stelde op contact met de verdachte, de verdachte dit wist en dat hij desondanks op verschillende manieren contact is blijven zoeken met de aangeefster. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Het hof gaat bij de bewezenverklaring net als de politierechter en de advocaat-generaal uit van een periode vanaf 1 april 2023; de periode nadat de aangeefster een ernstig ongeluk heeft gehad (op 26 maart 2023). In die periode heeft de verdachte zeer veel gebeld naar de aangeefster, tot aan 66 keer op één dag (de verdachte heeft dit ook op de zitting in hoger beroep bevestigd). De verdachte gebruikte daarbij verschillende telefoonnummers. Het hof is van oordeel dat de in de bewijsmiddelen genoemde telefoonnummers/contacten aan de verdachte kunnen worden toegeschreven, zoals de aangeefster dat heeft verklaard. Daartoe overweegt het hof ten eerste dat de verdachte heeft bevestigd dat hij met verschillende nummers naar de aangeefster heeft gebeld, waaronder het telefoonnummer +[nummer 1], dat aan hem toebehoorde. Bovendien ziet het hof gelet op de aard van de berichten in de bewijsmiddelen (die zijn verstuurd met de telefoonnummers eindigend op [nummer 2] en [nummer 3]) geen enkele reden om aan te nemen dat iemand anders dan de verdachte deze berichten zou hebben verzonden, terwijl de verdachte in hoger beroep heeft verklaard deze berichten in ieder geval voor een deel te herkennen. Mede in aanmerking genomen de verklaring van de aangeefster dat zij telefoonnummers van de verdachte blokkeerde en de verklaring van de verdachte bij de politie dat hij een andere nummer had genomen toen ze hem blokkeerde, gaat het hof ervan uit dat de verdachte regelmatig een nieuw nummer heeft gebruikt, om langs die weg opnieuw contact te zoeken met de aangeefster. Hieruit leidt het hof af, dat de verdachte ervan op de hoogte was dat de aangeefster geen contact wilde. Daar komt bij dat de verdachte ook in de bewezenverklaarde periode meerdere keren expliciet door de politie was gesommeerd om te stoppen contact te zoeken en te onderhouden met de aangeefster. De verdachte heeft hieraan geen gehoor gegeven, maar heeft ook nadien nog contact gezocht.
Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte in voornoemde periode meerdere keren bij de woning van de aangeefster geweest. Bij één van die momenten (eind mei 2023) trof de politie de verdachte bij de woning van de aangeefster aan. De verdachte stelde dat hij zijn spullen kwam ophalen en bedreigde tegenover de politie de nieuwe vriend van de aangeefster. De politie heeft de verdachte gezegd dat hij niet meer zelf via de aangeefster moest proberen om zijn spullen op te halen en hierover contact met zijn advocaat moest opnemen. Verder zijn de aangeefster en de verdachte elkaar op 30 juni 2023 tegengekomen op de openbare weg en heeft de verdachte vervolgens contact met de aangeefster gezocht waardoor zij op dat moment haar awareknop heeft ingedrukt. Dat dit treffen zou hebben plaatsgevonden in de nabijheid van de toenmalige verblijfplaats van de verdachte doet daar niet aan af.
Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode vaak en op verschillende manieren (bellen, berichten sturen, fysiek) contact heeft gezocht met de aangeefster terwijl zij dit niet wilde en dit ook duidelijk moet zijn geweest voor de verdachte. De verdachte liet zich niet weerhouden en nam zelfs andere telefoonnummers om opnieuw contact te zoeken. De duur, frequentie en intensiteit en de invloed die het handelen op het persoonlijk leven van de aangeefster heeft gehad – zij had zelfs een awareknop – zijn dusdanig dat naar het oordeel van het hof sprake is van belaging. De gestelde omstandigheden dat uit de duur van enkele belcontacten kan volgen dat er enige tijd is gesproken tussen de verdachte en de aangeefster en dat de aangeefster enkele keren ook zelf contact heeft opgenomen, maakt dit niet anders, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat de aangeefster heeft verklaard dat zij dit heeft gedaan omdat zij zich zorgen maakte om de veiligheid van haar dochter en de verdachte wilde duidelijk maken dat hij haar met rust moest laten (zoals onder meer volgt uit haar verhoor bij de raadsheer-commissaris op 26 februari 2026, p. 4/5).
Het hof acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de tenlastegelegde belaging schuldig heeft gemaakt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode 1 april 2023 tot en met 14 juli 2023 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer], door
- veelvuldig berichten te sturen naar die [slachtoffer] en
- veelvuldig telefonisch contact te zoeken met die [slachtoffer] en
- zich meermalen op te houden bij de woning, althans in de omgeving van de woning van die [slachtoffer]
met het oogmerk die [slachtoffer], te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op: belaging.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde feit veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met oplegging van een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 54 uren subsidiair 27 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden.
De verdediging heeft in geval van een bewezenverklaring verzocht om er rekening mee te houden dat er ‘over en weer’ contact is gezocht en dat het niet een ‘totaal eenzijdige stroom van lastigvallen was’. Verder heeft een en ander zich al geruime tijd geleden afgespeeld, is het nu rustig tussen partijen en heeft de verdachte aan zichzelf gewerkt. Het is dan ook niet nodig om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner. Het hof ziet dat er sprake is geweest van een turbulente relatie waarin veel is gebeurd, maar vervolgens is de verdachte met zijn gedrag veel te ver gegaan en heeft hij niet kunnen accepteren dat de aangeefster geen contact meer met hem wilde. Het handelen van de verdachte heeft gezorgd voor gevoelens van angst bij de aangeefster en er zelfs toe geleid dat zij een awareknop kreeg. De verdachte heeft alleen oog gehad voor zijn eigen gevoelens en zijn eigen visie op de relatie. Hij had veel eerder moeten stoppen met zijn gedrag, nadat hem dit diverse keren door zowel de politie, als door de aangeefster zelf duidelijk was gemaakt.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden met ruim 1 maand. Het hof zal deze termijnoverschrijding compenseren door een groter aantal uren, zijnde 10 uur – dan de politierechter heeft gedaan – van de op te leggen taakstraf in voorwaardelijk vorm op te leggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren. Hiermee wil het hof de verdachte er extra van doordringen dat hij geen strafbare feiten moet plegen. Het hof ziet hiertoe onder meer aanleiding omdat de verdachte zich ook niet heeft laten weerhouden nadat de politie hem meermalen had gezegd dat hij geen contact moest opnemen en dat het dossier sterke aanwijzingen biedt dat de verdachte ook na de tenlastegelegde periode nog contact heeft gezocht met de aangeefster.
Daarnaast zal het hof een contactverbod met de aangeefster [slachtoffer] en een locatieverbod voor [plaats] als bijzondere voorwaarden verbinden aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- op geen enkele wijze -direct of indirect- contact legt of laat leggen met het slachtoffer: [slachtoffer], geboren op [geboortedag 2] 1998;
- zich niet zal bevinden in [plaats] te gemeente Hollands Kroon.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. T. de Bont en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Kuvel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 oktober 2026.
Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002000-24
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 8 oktober 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. A.W.T. Klappe, raadsheer,
, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M.C.A. Bakker, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE in deze zaak is gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.