Strafrecht overig

W&O feit 1 primair opz. brandstichting, gemeen gevaar voor goederen, en feit 4 mishandeling, uitvoerige…

Gerechtshof Amsterdam, 14 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 14 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
23-001002-22
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2957
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

W&O feit 1 primair opz. brandstichting, gemeen gevaar voor goederen, en feit 4 mishandeling, uitvoerige bewijsoverweging brandstichting, vrijspraak feit 5 bedreiging, beslissingen op 2 vorderingen BNP, GS 12 maanden met aftrek, overschrijding redelijke termijn in HB

Procesgang

  1. Rechtbank Gelderland · 24 december 2021

    ECLI:NL:RBGEL:2021:7032
  2. Gerechtshof Amsterdam · 14 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2957

    Overig

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001002-22

datum uitspraak: 14 oktober 2026

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam na verwijzing door het hof Arnhem Leeuwarden op 22 maart 2022 en gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 24 december 2021 in de strafzaak onder parketnummer 05-160555 en 05-019189 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Gelderland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2, 3 en 5 (voor zover de ten laste gelegde bedreiging zich richt tegen [benadeelde partij 1] ), is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, is aan de verdachte, voor zover in hoger beroep aan het oordeel van het hof onderworpen, tenlastegelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 17 juni 2019 te Doetinchem, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met

- aanmaakblokjes,

- wasbenzine,

- de band en/of carrosserie van een Maserati Granturismo (met het kenteken [kenteken] ), althans met een brandbare stof,

ten gevolge waarvan voornoemde Maserati Granturisimo (met het kenteken [kenteken] ) en/of één of meer coniferen, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor

- de in voornoemde Maserati Granturisimo aanwezige goederen,

- één of meer coniferen,

- ( delen van) een houten terras,

- de naastgelegen woning (aan de [adres 2] ) en/of

- de in naastgelegen woning (aan de [adres 2] ) aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor

- [benadeelde partij 2] ,

- de vriendin van [benadeelde partij 2] en/of

- de dochter van [benadeelde partij 2] , in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor

- [benadeelde partij 2] ,

- de vriendin van [benadeelde partij 2] en/of

- de dochter van [benadeelde partij 2] , in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

1. subsidiair
hij op of omstreeks 17 juni 2019 te Doetinchem, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk - een Maserati Granturismo (met het kenteken [kenteken] ) en/of één of meer coniferen, in elk geval enige goederen, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde partij 2] toebehoorden, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

4.
hij op of omstreeks 28 juni 2019 te Doetinchem, althans in Nederland [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door met pepperspray, althans een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) in het gezicht en/of het oog van voornoemde [benadeelde partij 1] te spuiten;

5.
hij op of omstreeks 24 juli 2019 te Doetinchem en/of Arnhem, althans in Nederland [getuige] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [getuige] dreigend de woorden toe te voegen

"Ik laat mij niet zo naaien, pas maar op, als de deur hier open gaat kom ik je opzoeken" en/of

Je bent een vies, vuil kankerventje. Ik ben met jullie nog niet klaar, ik ga het wel even recht zetten met jullie", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Vrijspraak feit 5

Volgens de advocaat-generaal kan het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen, gelet op de omstandigheden waaronder de bedreiging heeft plaatsgevonden. De daadwerkelijk geuite bewoordingen zijn soortgelijk aan de ten laste gelegde bewoordingen.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken; niet alleen wijken de blijkens de geluidsopname gebruikte woorden zodanig af van de bewoordingen in de tenlastelegging dat niet kan worden gesproken van woorden van gelijke dreigende aard of strekking, ook duiden de gebezigde bewoordingen niet op een poging tot zware mishandeling.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de door de verdachte op 24 juli 2019 gebezigde bewoordingen niet kunnen worden beschouwd als een bedreiging met zware mishandeling, ook niet als deze worden beschouwd in de context van de omstandigheden waaronder deze zijn geuit.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 5 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken zodat verdere bespreking van het verweer achterwege zal blijven

Bewijsoverweging feit 1 primair

Volgens de advocaat-generaal kan het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde bij gebrek aan overtuigend bewijs. Daartoe heeft hij allereerst aangevoerd dat de bevindingen van [verbalisant 1] (verder: [verbalisant 1] ) de conclusie dat sprake is geweest van opzettelijk brandstichting niet kunnen dragen. De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van de aangever en de getuigen en de overige bewijsmiddelen die de verdachte aan de brand zouden koppelen niet betrouwbaar zijn. Daarom is bij de waardering hiervan bijzondere behoedzaamheid geboden.

Het hof overweegt als volgt. Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

In de nacht van 16 op 17 juni 2019 is brand ontstaan aan de Maserati Granturismo, met kenteken [kenteken] , van aangever. Deze auto stond op dat moment voor de woning van aangever op het [adres 2] geparkeerd. Als gevolg van deze brand zijn ook enkele coniferen van een heg in de voortuin van aangever in brand gevlogen. Na een melding rond 4.30 uur die nacht is de brandweer ter plaatse gekomen en is de brand geblust. Omdat de ter plaatse gekomen verbalisanten niet met zekerheid konden vaststellen of sprake was geweest van brandstichting, is de volgende ochtend onderzoek gedaan door [verbalisant 1] , brigadier van politie, opgeleid brandonderzoeker bij de Unit Forensisch Technische Opsporing. Na onderzoek ter plaatse heeft hij geconcludeerd dat de brand is begonnen aan de linker voorzijde van de auto in de omgeving van de koplamp, van waaruit de brand onder de motorkap alsmede langs het linker voorspatbord richting de heg is getrokken. Aan de linkervoorzijde van de auto, ter hoogte van de koplamp werd geen technische of anderszins niet-criminele oorzaak voor het ontstaan van de brand geconstateerd, hetgeen aldus [verbalisant 1] , betekent dat daar ter plaatse vuur moet zijn ingebracht om de brand te doen ontsteken. Gezien de locatie waar de brand is ontstaan moet dit vuur daar opzettelijk zijn ingebracht, waaruit blijkt dat sprake is geweest van brandstichting. [verbalisant 1] acht een technische oorzaak van de brand uitgesloten.

Getuige [getuige] (verder: [getuige] ) heeft verklaard dat de verdachte hem nog voor de brand heeft gezegd dat hij de auto van aangever wilde aansteken en aangever naar de kloten wilde helpen. Na de brand heeft de verdachte de getuige, meermaals, te beginnen de dag na de brand, over zijn betrokkenheid bij de brand verteld. Zo heeft hij gezegd dat carbon lekker brandt en dat hij het jammer vond dat hij in zijn eentje was waardoor hij het niet kon filmen. Ook vond hij het jammer dat hij niet lang kon blijven kijken omdat hij moest vluchten. Hij had er wel een vreugdedansje bij willen doen. Verder heeft de verdachte tegen [getuige] gezegd dat hij de brand had aangestoken met een aanmaakblokje en wasbenzine, dat hij aan de voorkant was begonnen, dat hij het aanmaakblokje met wasbenzine op het wiel had gelegd en dat hij het niet erg vond dat de auto onder het raam van het kind van aangever stond. [naam 1] moest het kind maar in de kelder stoppen.

Getuige [benadeelde partij 1] (verder: [benadeelde partij 1] ) heeft verklaard dat de verdachte haar al vol trots over de autobrand had verteld nog voordat hierover in de krant werd gepubliceerd.

Vervolgens hebben [getuige] en [benadeelde partij 1] een gesprek met de verdachte opgenomen. De geluidsopnames van dit gesprek zijn aan de politie overhandigd, uitgeluisterd en uitgewerkt. In dit gesprek wordt onder meer gezegd:

[benadeelde partij 1] : Ik ken het niet, zal niet weten hoe het moet. Ben ik veel te dom voor.

[naam 2] : Volgende keer doe ik er een vreugdedansje bij en film ik het.

[getuige] : Dat had ik nog wel verwacht van jou, dat je het gefilmd had.

[naam 2] : De (naar het hof begrijpt: Er)had iemand bij moeten zijn.

[getuige] : Luister luister dat had ik van jou verwacht, echt. Dat je het gefilmd had.

[naam 2] : Maar ik ben alleen he. Dan had je iemand op afstand moeten hebben, die zo op afstand had kunnen filmen, die ziet dan ook alles omheen, want je kan niet alles doen.

[getuige] : Zal wel een beste knap (naar het hof begrijpt: klap) gegeven hebben of niet.

[naam 2] : Nee, niet man.

[getuige] : Niet als het naar de tank slaat.

[benadeelde partij 1] : Zal wel flink stinken.

[naam 2] : Ik ben voor begonnen en ik heb niet gewacht tot die achter was. Toen was ik zelf al achter.

(..)

[benadeelde partij 1] : Maar zijn kind sliep ook boven he.

[naam 2] : Oh boeie, moet tie die voortaan maar in de kelder drukken.

[benadeelde partij 1] : Nou dat is wel erg.

[naam 2] : Weet je [benadeelde partij 1], dan kun je altijd wel ergens rekening mee houden, terwijl zo een iemand helemaal nergens rekening mee houdt. Gewoon schijt aan heeft en jou een duw geeft.

[benadeelde partij 1] : Ja oke, maar het kindje kan er natuurlijk ook niets aan doen.

[naam 2] : Ja, mijn kindje ook niet als papa geen werk heeft, waar moet ik de cadeautjes vandaan halen dan.

[benadeelde partij 1] : Ik begrijp alleen dat die auto in de fik stond en dat die kleine boven sliep, dat is wel uh.

[naam 2] : En dus, die auto vliegt niet door het raam hoor.

[benadeelde partij 1] : Ik weet niet hoe een auto ontploft, ik weet niet hoe je een auto in de fik steekt.

(..)

[naam 2] : Neem dat woord auto en autobrand eens niet zo vaak in de mond. De hele buurt hoort het zo.

In dit gesprek erkent de verdachte niet alleen dat hij een auto in brand heeft gestoken, maar noemt hij ook enkele details die er geen twijfel over laten bestaan dat het over de Maserati van aangever gaat:

  • de verdachte zegt dat hij voor is begonnen (uit onderzoek is gebleken dat de brand in de Maserati voor is begonnen);

  • dat er sprake is van een kind dat boven sliep terwijl de auto in de brand stond (aangever heeft verklaard dat zijn dochtertje aan de voorkant van zijn woning lag te slapen tijdens de brand);

  • de verdachte zegt dat hij daar geen rekening mee kan houden omdat zo iemand (naar het hof begrijpt aangever) gewoon schijt aan hem heeft en hem een duw geeft;

  • als wordt gezegd dat het kind daar niks aan kan doen zegt de verdachte dat zijn kind er ook niets aan kan doen als papa geen werk heeft (de verdachte is op 8 juni 2019, slechts ruim een week voor de brand op staande voet door aangever ontslagen).

Anders dan door de raadsman betoogd, doet het enkele feit dat voorafgaand aan de opname aangever contact met de politie heeft gehad niet af aan de bewijswaarde van het opgenomen gesprek. Het hof is evenmin van oordeel dat uit het procesdossier blijkt van sturende vragen aan de verdachte van de zijde van de getuigen. Het hof stelt vast dat de antwoorden van de verdachte blijk geven van daderwetenschap.

Het hof wordt in de overtuiging dat de verdachte de Maserati van aangever in brand heeft gestoken gesterkt door het feit dat bij de doorzoeking van de woning van de verdachte aanmaakblokjes zijn aangetroffen welke sterk naar benzine roken, terwijl in de woning geen barbecue, vuurkorf of iets dergelijks waarvoor de blokjes zouden kunnen dienen werd aangetroffen, alsmede door het feit dat op de in beslag genomen telefoon van de verdachte in de nacht van de brandstichting tussen 5.49 en 5.57 uur, meerdere keren op internet is gezocht met de zoektermen: ‘tv gelderland nieuws’, ‘laatste nieuws gelderland’, ‘nieuws vandaag’, ‘laatste nieuws regio’, ‘laatste nieuws regio gelderland en ‘laatste nieuws regio g’.

Ook het feit dat de verdachte kort voor de brand op staande voet door aangever is ontslagen, wat mogelijk zou kunnen duiden op een motief, en het feit dat de verdachte na diens aanhouding vanuit de Penitentiaire Inrichting op zoek is gegaan naar (valse) alibi’s dragen bij aan de overtuiging.

Al deze feiten en omstandigheden tezamen ook in onderling (tijds)verband beschouwd maken dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte de ten laste gelegde brand heeft gesticht. Anders dan de rechtbank acht het hof niet bewezen dat door deze brand gemeen gevaar is ontstaan voor goederen die zich in de auto bevonden, omdat uit het dossier niet blijkt dat zich in de auto goederen bevonden.

Het feit dat aangever tijdens het onderzoek van de zaak meermaals contact heeft gehad met [verbalisant 2] (verder: [verbalisant 2] ), de wijkagent die de bewuste nacht als een van de eersten ter plaatse was, maakt, anders dan door de raadsman bepleit, naar het oordeel van het hof niet dat sprake is van een dusdanige afstemming met de politie dat dit consequenties heeft voor de waardering van de betrouwbaarheid van het bewijs. Het hof stelt voorop dat het niet ongebruikelijk is dat een aangever na zijn aangifte contact onderhoudt met de politie over het verloop van het onderzoek. Bovendien onderhield aangever slechts contact met [verbalisant 2] , terwijl het onderzoek van de zaak al gauw werd overgedragen aan de districtsrecherche, waarna [verbalisant 2] geen inhoudelijke betrokkenheid meer bij de zaak had.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige op het gebied van forensisch brandonderzoek, bij voorkeur met specifieke deskundigheid op het gebied van voertuigbranden, om te laten beoordelen welke conclusies op grond van het beschikbare procesdossier kunnen worden getrokken en met welke mate van zekerheid.

Het hof wijst dit verzoek van de raadsman tot het doen verrichten van een onderzoek door een onafhankelijk deskundige af. Het hof stelt vast dat nadat de ter plaatse gekomen verbalisanten niet met zekerheid konden vaststellen of sprake was geweest van brandstichting, onderzoek is gedaan door [verbalisant 1] , opgeleid brandonderzoeker bij de Unit Forensisch Technische Opsporing, wiens bevindingen in een proces-verbaal zijn gerelateerd. Nadien is [verbalisant 1] op verzoek van en in bijzijn van de verdediging verhoord door de rechter-commissaris bij welk verhoor de raadsman van de gelegenheid hem te bevragen gebruik heeft gemaakt. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en ziet geen noodzaak voor nader onderzoek naar het ontstaan van de brand aan de hand van het thans voorliggende procesdossier zoals de raadsman heeft verzocht. Voor zover het door de raadsman verzochte onderzoek ziet op de vraag welke juridische conclusies aan deze bevindingen kunnen worden verbonden, merkt het hof op dat het aan het hof is om deze conclusies te trekken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair
hij op 17 juni 2019 te Doetinchem, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met

- aanmaakblokjes,

- wasbenzine,

- de band en/of carosserie van een Maserati Granturismo (met het kenteken [kenteken] ), ten gevolge waarvan voornoemde Maserati Granturisimo (met het kenteken [kenteken] ) en coniferen, geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor

- één of meer (andere) coniferen,

te duchten was;

4.
hij op 28 juni 2019 te Doetinchem, [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door met pepperspray in het gezicht en het oog van voornoemde [benadeelde partij 1] te spuiten.

Hetgeen onder 1 primair en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 4 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 4 en 5 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met het feit dat de verdachte van 5 tot en met 9 juli 2019 op het politiebureau in verzekering is gesteld en aansluitend tot 16 april 2021 in het huis van bewaring in voorarrest heeft gezeten alsmede met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Door te handelen als bewezenverklaard heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het in brand steken van de kostbare auto van aangever, zijn voormalig werkgever, welke hem enkele dagen eerder op staande voet had ontslagen. De auto stond voor de woning van aangever geparkeerd, in welke woning de aangever en zijn gezin op dat moment lagen te slapen. De brandstichting heeft tot aanzienlijke schade geleid, zowel aan de auto als aan de tuin van aangever.

Enkele dagen later heeft de verdachte een voormalig collega met pepperspray in haar gezicht gespoten als gevolg waarvan zij dagenlang last heeft gehad van een opgezwollen gezicht en pijn aan haar ogen nadat zij op Facebook iets over de brand had gepost wat blijkbaar niet naar de zin van de verdachte was.

Dit zijn ernstige feiten, welke niet alleen een grote impact hebben op de slachtoffers, maar ook leiden tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

Om meer zicht te krijgen op de persoon van de verdachte zijn in het verleden meerdere pogingen ondernomen onderzoek naar hem te doen. De verdachte heeft aan geen van deze onderzoeken mee willen werken. Recent is de Reclassering Nederland verzocht over de verdachte te rapporteren. De Reclassering heeft daarop meermaals contact met de verdachte opgenomen. De verdachte heeft steeds te kennen gegeven niet mee te willen werken aan een reclasseringsadvies, om welke reden de reclassering op 26 augustus 2026 heeft bericht geen advies te kunnen uitbrengen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 september 2026 is hij eerder meermaals onherroepelijk veroordeeld voor geweldsmisdrijven. Tevens blijkt uit dit uittreksel dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden passend en geboden. Het hof heeft echter rekening te houden met de omstandigheid dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.

De verdachte is op 5 juli 2019 in verzekering gesteld, waarna pas op 24 december 2021 vonnis is gewezen. Vervolgens is op 6 januari 2022 namens de verdachte hoger beroep ingesteld en wijst het hof pas op 14 oktober 2026 arrest. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmaat in die zin dat voornoemde gevangenisstraf met 3 maanden zal worden gematigd tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 124.650,44 voor materiële schade. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in deze vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Bij e-mail bericht van 28 september 2026 heeft de benadeelde partij de vordering nader toegelicht en als volgt aangepast. De benadeelde partij vordert als vergoeding van schade aan de auto de dagwaarde van € 120.000 min de opbrengst van de restanten € 17.000,00 = € 103.000,00. De benadeelde partij vordert niet langer vergoeding van de schade aan zijn tuin, omdat deze inmiddels door zijn opstalverzekeraar is vergoed.

De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen met toekenning van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft het hof ter terechtzitting primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op het ontbreken van een voldoende controleerbare onderbouwing van de vordering.

Het hof overweegt als volgt. Uit het door de benadeelde partij overlegde rapport van Dekra van 4 juli 2019 blijkt dat de dagwaarde van de auto € 120.000,00 bedraagt en dat er meerdere biedingen op de restanten zijn uitgebracht. De benadeelde partij heeft geen stuk ingediend waaruit blijkt dat en voor welk bedrag hij de restanten van de auto heeft verkocht. In het rapport van Dekra wordt opgemerkt dat de eigenaar geen afstand wenst te doen van het restant en het voertuig dus niet is toegewezen aan hoogst biedende opkoper. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de materiële schade thans niet valt vast te stellen, dat een verantwoorde behandeling en beoordeling van de vordering van de benadeelde partij nader onderzoek vergt, maar dat zulks een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Voor wat betreft de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding stelt het hof vast dat deze onvoldoende onderbouwd is. De benadeelde partij kan daarom niet in zijn vordering worden ontvangen en deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 800,00 voor immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,00. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft haar vordering in hoger beroep niet gehandhaafd, waardoor deze slechts aan het hof voorligt voor zover toegewezen in eerste aanleg.

De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd de vordering zoals deze aan het hof voorligt geheel toe te wijzen met toekenning van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft het hof ter terechtzitting verzocht bij de begroting van de immateriële schade uitsluitend rekening te houden met het tijdelijk lichamelijk letsel en ongemak en de niet nader geobjectiveerde psychische gevolgen niet bij de begroting te betrekken en voor zover voor de beoordeling van de gestelde psychische gevolgen nadere bewijslevering noodzakelijk zou zijn de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk te verklaren, nu een dergelijk nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat genoegzaam is onderbouwd dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Er is sprake van objectief vastgesteld lichamelijk letsel in de zin van art. 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). De verdachte heeft de benadeelde partij met pepperspray in het gezicht gespoten als gevolg waarvan zij zich met een opgezwollen en rood gezicht, pijn en een brandend gevoel in haar ogen meermaals voor behandeling tot de huisartsenpost in het Slingerland ziekenhuis heeft moeten wenden, zoals blijkt uit een tweetal e-mailberichten van de huisartsenpost respectievelijk van 28 en 30 juni 2019.

Van een andere grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding dan lichamelijk letsel is het hof niet gebleken.

De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Het hof heeft acht geslagen op hoofdstuk 13 Licht letsel onder (c) van de Rotterdamse Schaal, in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’ (rechtspraak.nl).

Het hof stelt alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien de totale omvang van de vergoedbare immateriële schade van deze benadeelde partij naar billijkheid vast op € 400,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Beslag

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat indien sprake is van een of meerdere in beslag genomen goederen welke aan de verdachte toebehoren maar nog niet aan hem zijn geretourneerd deze aan de verdachte dienen te worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 157 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Met de advocaat-generaal en de raadsman stelt het hof vast dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 6 februari 2019, parketnummer 05-019189-19, voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 20 uur op 15 september 2021 reeds is toegewezen door de rechtbank Gelderland.

Het hof zal het openbaar ministerie om deze reden in zijn vordering tot tenuitvoerlegging niet ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2, 3 en 5 (voor zover gericht tegen [benadeelde partij 1] ) tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 5 voor zover gericht tegen [getuige] tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

de nog niet terug gegeven in beslag genomen voorwerpen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 28 juni 2019.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging, met parketnummer 05-019189-19.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. A.R.O. Mooy en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 oktober 2026.

De voorzitter en de oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]