Strafrecht overig
Wraking. Verzoek om de zitting een regiekarakter te geven wordt niet op voorhand toegewezen. Dit verzoek kan…
ECLI:NL:GHAMS:2025:3673 · Gerechtshof Amsterdam · 3 juni 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/wraking/ecli-nl-ghams-2025-3673
Zaakgegevens
Op 3 juni 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 3 juni 2025
- Datum publicatie
- 24 januari 2026
- Zaaknummer
- 200.350.213/02
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3673
Samenvatting
Wraking. Verzoek om de zitting een regiekarakter te geven wordt niet op voorhand toegewezen. Dit verzoek kan tijdens de inhoudelijke behandeling worden herhaald. Processuele beslissing. Verzoek tot wraking wordt afgewezen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
GeRechtshof Amsterdam
zaaknummer : 200.350.213/02
zaaknummer hoofdzaak : 23-000734-22
Beslissing van de wrakingskamer van 3 juni 2025
op het wrakingsverzoek ingediend door
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats],
hierna: verzoeker.
1 De procedure
De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2022, waarbij verzoeker is veroordeeld voor belaging en mishandeling van twee van zijn buren en het beschadigen van meerdere toegangsdeuren en een lift.
Op 11 november 2022 heeft in de hoofdzaak een regiezitting plaatsgevonden. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
De hoofdzaak is gepland voor inhoudelijke behandeling op 21 augustus 2025 om 10:00 uur.
Verzoeker heeft bij een op 1 mei 2025 ingekomen schriftelijk stuk de wraking verzocht van de raadsheren mrs. W.S. Ludwig en H.A. van Eijk.
Mrs. Ludwig en Van Eijk hebben op 12 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het
verzoek tot wraking.
Tijdens de behandeling van het verzoek tot wraking heeft verzoeker onder meer aan de hand van een op voorhand toegezonden pleitnota zijn verzoek toegelicht en een nader stuk overgelegd. De advocaat-generaal heeft het woord gevoerd.
2 Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover
De grond van het wrakingsverzoek blijkt uit de schriftelijke stukken. Samengevat vindt verzoeker dat de vooringenomenheid van mrs. Ludwig en Van Eijk blijkt uit de zeer onduidelijke genomen beslissing van 1 mei 2025 om de aankomende zitting, van 21 augustus 2025, niet aan te merken als regiezitting. Verzoeker heeft ter zitting bevestigd dat dit de grond tot wraking is.
Mrs. Ludwig en Van Eijk hebben in hun schriftelijke reactie meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berusten. Inhoudelijk hebben zij niet op het wrakingsverzoek gereageerd.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
3 De beoordeling
Juridisch kader
Artikel 512 Wetboek van Strafvordering houdt in dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen.
Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
Uitgangspunt is dat processuele beslissingen geen grond vormen voor een wraking van de rechters die de beslissingen hebben gegeven. Ook als een beslissing in het nadeel van een verzoeker is uitgevallen, vormt dat in het algemeen geen grond om te veronderstellen dat de betrokken rechter een vooringenomenheid koestert jegens verzoeker of dat de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alleen als de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, kan dit een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de betrokken rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.
Beoordeling in deze zaak
Verzoeker heeft bij e-mails van 16 en 24 april 2025 een aantal verzoeken gericht aan de raadsheren en bij e-mail van 1 mei 2025 verzocht om de zitting van 21 augustus 2025 in verband daarmee aan te merken als een regiezitting. Blijkens de reactie op de door verzoeker genoemde verzoeken die door de griffie op 1 mei 2025 aan verzoeker is verzonden, zullen deze verzoeken ter zitting van 21 augustus 2025 worden besproken. Aldus is alleen een procedurele beslissing genomen om de verzoeken op 21 augustus 2025 te behandelen. Daarbij is niet op voorhand bepaald dat de zitting uitsluitend zal worden benut voor regie, zoals verzoeker voorstaat.
De wrakingskamer overweegt dat het in de praktijk geregeld voorkomt dat dergelijke beslissingen worden uitgesteld, zodat deze op zitting kunnen worden besproken, en dat de procedure vervolgens naar bevind van zaken wordt voortgezet. Daarbij wordt opgemerkt dat ook tijdens een inhoudelijke behandeling nog onderzoekswensen naar voren kunnen worden gebracht. Verzoeker is dan ook niet beperkt in zijn mogelijkheden stukken over te leggen of onderzoekswensen in te dienen. Hier is dan ook geen sprake van een processuele beslissing die uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard.
Verzoeker heeft voor het overige geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht, waaruit de vooringenomenheid van de raadsheren of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan worden afgeleid.
4 De beslissing
De wrakingskamer:
wijst af het verzoek tot wraking van mrs. W.S. Ludwig en H.A. van Eijk.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.F. Aalders, N. van der Wijngaart en L. Alwin in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2025.